Cultuur van de kerk in de 11e tot en met de 14e eeuw

 

Inhoud

  1. inleiding_middeleeuwen
    1. hierarchie
    2. kerk en staat
    3. standen
    4. levensbeschouwing
    5. economische macht
    6. steden en platteland
    7. scholen en universiteiten
    8. theologie en filosofie
  2. christendom
    1. bijbel
    2. kerkelijk jaar
    3. mattheus evangelie
    4. meerstemmigheid
    5. kerkmuziek; de mis, de getijden en de liturgie
    6. liturgie
    7. religieus drama
    8. paasspel 970
    9. paasspel Maastricht
    10. woordenlijst geestelijke drama
    11. woordenlijst kerkenbouw
    12. heilige plaatsen
  3. afbeeldingen:
    1. Pythagoras en muziek
    2. Kerkelijke gewaden en voorwerpen
    3. Kruistochtenkaart
    4. Het boek

 

Inleiding middeleeuwen

 Bron: open universiteit; leerstofgebied cultuurwetenschappen; inleiding in de filosofie

 

De hiërarchische maatschappij

Na de val van het Romeinse rijk wordt Europa geregeeerd door wisselende en zich verplaatsende machten: vandalen, hunnen, goten. Een centrale macht zoals in het Romeinse rijk kan zich daardoor niet ontwikkelen. De macht decentraliseert in een machtspyramide, het zogenaamde leenstelsel: de koning leent land en macht aan leenheren, die aan leenmannen, die aan vazallen en die aan boeren. Onderaan staan de lijfeigenen of horigen die geen macht en geen privé bezit hebben. Ieder draagt belastingen in geld of natura af aan de hoger geplaatsten en doet mee aan de verdediging van het beleende land. Ridders en edelen zijn de ruggegraat voor elk leger. Boeren moeten vechten als het hen uitkomt. Daarnaast hebben zij beroeps- (huur-)soldaten in dienst. De hoge adel be zit feitelijk het meeste land en dus de meeste macht, en probeert deze voortdurend te vergroten ten koste van de koning. Bij wereldlijke geschilpunten spreken hogergeplaatsten recht over lager geplaatsten.

Kerk en staat

Naast de wereldlijke machtspyramide is er een kerkelijke: van paus naar aartsbisschoppen naar bisschoppen naar priesters en daaronder het gewone volk: de leken. De kerkelijke leiders zijn er voor de geestelijke belangen, met als belangrijkste doel de eeuwige verlossing. Bij geestelijke geschilpunten is er het canonieke recht.

Drie standen

Er zijn dus twee leidende standen: die van de kerk en die van de staat en daarnaast is er de grootste stand van boeren en producenten.

Levensbeschouwing

Het Christendom van de middeleeuwen beschouwt de dingen vanuit een goddelijke ordening: ook hier een hiërarchie: god - engelen - heiligen - mensen - dieren - planten - levenloze natuur. Aan deze volgorde van volmaaktheid kan niet getornd worden: men gaat uit van de geopenbaarde waarheid zoals die in de bijbel beschreven is. Van daaruit krijgt alles zijn plaats. Originele denkbeelden om zaken anders uit te leggen worden niet gewaardeerd: zij getuigen van slechte smaak. Dit komt ook tot uiting in de schilderkunst die vaste patronen volgt en niet natuurgetrouw werkt.

Zie ook de denkbeelden van drie belangrijke geestelijken en het overzicht esthetiek

Vermenging van macht

Niet alleen de koning geeft land in leen, ook de kerk doet dat en heeft daardoor wereldlijke macht. Hiernaast is er ook de intellectuele voorsprong die veel kerkelijke leiders hebben vanwege hun opleiding. Vaak zijn er kerkelijke functie's te koop. De paus wordt sinds 1059 door een college van kardinalen gekozen en niet meer door leenmannen. Dit leidt tot een vootdurende machtsstrijd met koningen die liever een dikke vinger in de kerkelijke pap hebben.

Steden en platteland

Naast de kerk groeit de macht van de steden na de elfde eeuw snel, vooral in Italië waar de handel van de Arabieren wordt overgenomen. Onder andere als gevolg van de kruistochten.

Burgerij en kooplieden vormen een nieuwe stand die zich weer hiërarchisch organiseert: gilden voor mensen met hetzelfde beroep kennen meesters, gezellen en leerlingen. Het bankgilde overtreft hier en daar de macht van kerk en adel. Uit hun gelederen komen tyrannen voort die democratische tendensen de kop indrukken. Door de concentratie van geld en macht bloeien de kunsten, de wetenschap en de techniek: het mechanische uurwerk, het kompas, het spinnewiel en het weefgetouw worden uitgevonden. Kathedralen verrijzen die door skeletbouw hoogte met veel glas kunnen combineren. Op het platteland is het dikwijls armoe troef. Voortdurende plunderingen en ziektes doen veel mensen naar de steden trekken waar het achter de stadsmuren relatief veilig is.

Scholen en universiteiten

Naast de vroegere kloosterscholen zijn er de lekenscholen voor de burgerij. In steden komen hier universiteiten uit voort die van heinde en ver studenten trekken. De universiteit krijgt privileges zoals belastingvrijstelling en vrijstelling van militaire verplichtingen. Globaal ziet de opleiding er als volgt uit: vanaf je veertiende jaar begin je een zesjarige studie in de artes liberales: retorica, grammatica, dialectica; dit zijn de talige vakken. De getalvakken zijn: muziek, meetkunde, rekenkunde en astronomie. Muziek hoort daarbij omdat Pyhagoras had ontdekt dat klankleer in getalsmatige wetten kan worden uitgedrukt. In de zes jaar daarna is theologie de belangrijkste studierichting. Daarnaast zijn er rechten en medicijnen. Ben je afgestudeerd dan ben je 'Baccalaureus'. Je kunt dan docent worden en promoveren tot doctor. Blijf je dan ook nog doceren dan ben je magister, zeg maar hoogleraar of professor.

Theologie en filosofie

In de dertiende eeuw was er een strijd tussen de gevestigde leraren en de leraren die voortkwamen uit nieuw gestichte bedelorden: Dominicanen of Franciscanen. Deze ordes zworen wereldlijke macht en bezittingen af. Zij verwierven eigen leerstoelen theologie aan de universiteit. Bij deze hoogleraren kon je theologie studeren zonder voorstudie van de artes liberales. Eén van de belangrijkste Dominicaner leraren was Thomas van Aquino (1224 - 1274) Hij formuleerde als eerste dogma's: dit zijn stellingen over het geloof die niet door de rede bewezen konden worden. De rede is er om het geloof te verdedigen. Dit noemt Aquino, samen met de natuurwetenschappen, de filosofie. Veel bronteksten werden op de 'scholastieke methode' behandeld: door kritische hoofd- en deelvragen, antwoorden daarop en conclusies. Scholastieke teksten zijn een verslaglegging van een discussie volgens dit vaste patroon. Hierbij staat niet de waarneming borg voor de waarheid, maar de goddelijke ordening zoals die in de bijbel geopenbaard is. Dit is ook het conflict tussen de Platoons/Christelijke visie en de Aristotelische visie: het goddelijke idee voorop of de waarneembare natuur waarin het goddelijke zich openbaart. De geschriften van Aristoteles brachten heel wat te weeg toen ze in de 12e eeuw in vertaling op de lesprogramma's van de Parijse universiteit verschenen. Dat was te danken aan Arabisch/Spaanse geleerden die veel originele teksten van commentaar hadden voorzien. (Van de negende tot de twaalfde eeuw was er een bloei van de arabische cultuur van Turkije, via Noord Afrika tot in Spanje) Aristoteles werd voorheen verbonden met de logica, maar naar nu bleek had hij ook een manier gevonden om een andere waarheid te vinden, buiten het Christendom om. Dit bevorderde het debat over theologie. Eén ding bleef overeind: teksten werden meer voor waar gehouden naarmate ze meer citaten van belangrijke en gevestigde geleerden bevatten: autoriteit stond boven eigen conclusies.

Christendom

De bijbel.

Een testament is een getuigenis: zij die het van nabij meemaakten vertellen. Het oude testament vertelt de geschiedenis van het Joodse volk en hun profetiën: zij wachten nog immer op de verlosser. Voor de joden heet het oude testament de Talmoed. Zij wachten nog op hun verlosser, de messias. Het nieuwe testament is toegevoegd door de Christenen. Voor hen is Jezus de messias. Het gaat dus over het leven van Jezus, zoals beschreven door verschillende apostelen: Johannus, Matthäus, Lucas, Marcus: de vier evangelisten. Verder allerlei geloofsstukken van anderen, waaronder de openbaringen van Johannus waarin het laatste oordeel beschreven wordt. Naast de bijbel zijn er nog andere oude en belangrijke teksten; die staan in de zogenaamde apocrieve boeken.

 

Het kerkelijk jaar

  • Advent 4 weken voor kerstmis
  • Kerstmis geboorte van Jezus
  • Driekoningen bezoek van de drie wijzen, daarna de kindermoord in Bethlehem
  • Vastentijd 40 dagen voor pasen, ingeleid met het carnaval
  • Lijdensweek/goede week:
    • Palmzondag intocht in Jeruzalem. Hij wordt met palmtakken toegejuichd
    • Witte donderdag
    • Goede vrijdag Jezus wordt gekruisigd en begraven
    • Stille zaterdag paaswake
    • Paaszondag opstanding; belangrijkste viering in de kerk.Pasen valt op de 1e zondag na de 1e volle maan na de lente-evening. Daarna verschijningen van Jezus
  • Hemelvaart: de hemelvaart van Jezus wordt gevierd op 40 dagen na pasen
  • Pinksteren uitstorting van de heilige geest: hier begint de verspreiding van het evangelie; vijftig dagen na pasen
  • (Het Joodse pasen gedenkt de uittocht uit Egypte, hierbij werd een lam geofferd; uiteraard een oud-testamentisch verhaal).

 

Het evangelie volgens Matthéüs: nieuwe testament

  1. Afstamming Abraham 14 david 14 babylonische ballingschap -14 jezus
  2. Maria in ondertrouw met Jozef, zwanger van heilige geest, Jozef wil stiekem weg, engel legt uit
  3. Geboorte in Bethlehem in Judea ten tijde van Herodes, wijzen uit het oosten komen na profetie
  4. Engel waarschuwt; vlucht naar egypte, kindermoord
  5. Terug naar nazareth in Galilea in Israel; Johannes de Doper predikt de komst van Jesus; doop in de jordaan; duif als geest god - deze is mijn zoon
  6. Veertig dagen vasten in de woestijn om de verzoekingen van de duivel te weerstaan
  7. Terug naar galilea; johannes de doper gevangen; discipelen verzamelen zich; eerste genezingen
  8. Jezus predikt een andere leer dan 'de ouden'. Bijv. oog om oog, tand om tand wordt 'keer ook rechterwang toe als je op linker geslagen bent'
  9. Genezingen; schriftgeleerden: "deze lastert god omdat hij vergiffenis schenkt uit naam van god"
  10. Jezus geeft macht aan discipelen: Simon (Petrus), Andréas, Jacobus'Zebedeüs zoon, Johannes, Filippus, Bartholoméüs, Thomas, Matthéüs de tollenaar, Jacobus Alféüszoon, Lebbéüs (Thaddéüs), Simon Kananites, Judas Iskariot. Jezus waarschuwt vor de gevaren.
  11. Farizën willen hem doden: hij drijft duivels uit met een machtiger duivel.
  12. Jezus predikt in gelijkenissen
  13. Johannes de doper wordt onthoofd, Jezus wil zich terugtrekken in de woestijn, volgelingen volgen. Wonderbaarlijke vermenigvuldiging van brood en vis.
  14. Jezus loopt over het water om discipelen te redden.
  15. Petrus krijgt sleutels van de hemelpoort.
  16. Intocht in Jeruzalem op een ezel. Jezus wordt in de tempel ondervraagd door de Farizeërs
  17. Het paasfeest nadert en Jezus voorzegt zijn eigen ondergang.

 

Kerkmuziek en het ontstaan der meerstemmigheid

Bron: Curt Sachs, geschiedenis der muziek

Eénstemmigheid.

Oude christelijke muziek is vocaal. De uitvoerenden zijn de priester, een solozanger, het koor (schola) en de gemeente, de kerkbezoekers.

De uitvoering kent drie mogelijkheden:

  1. Alles door één groep of alles door één solist
  2. Antifonaal: om beurten twee koorhelften
  3. Responsoriaal: om beurten voorzanger en koor

Liturgie betaat uit de mis en het officie (de getijden) Gezang speelt daar een belangrijke rol in.

De teksten van deze 'Gregoriaanse gezangen' komen uit de bijbel: de psalmen (150 gedichten in het oude testament van de bijbel) het magnificat (tekst uit Lucas), zijn oude liturgische 'formules' (kyrie eleison) of zijn later ontstane lofdichten: de hymne (te deum)

Deze naar paus Gregorius genoemde gregoriaans gezangen werden oorspronkelijk in neumen genoteerd. Aanduidingen van omhoog en omlaag zonder vaste toonhoogte. Later komt de vierlijnige notenbalk die de toonhoogte vastlegt. Tot op heden is er geen ritmenotatie in het gregoriaans.

Lange melodiën op één klinker van bijv. 'alleluia' worden later ingevuld met tekst: dit worden afzonderlijke liederen: sequensen en tropen.

 

Polyfonie

Eerste meerstemmigheid: het 'organum'.

Tweede stem die vijf (kwint) of vier (kwart) tonen boven of onder de oorspronkelijke melodie ligt en dezelfde melodielijn volgt. Ook in middeleeuwse orgels te horen: één toets blaast meerdere pijpen aan die een kwart of kwint van elkaar verschillen. De melodie waar van uit gegaan wordt is altijd een nooit gewijzigde psalmmelodie. (ook koraalmelodie genoemd)

Ars antiqua:

  • De meerstemmigheid wordt ingewikkelder, de eerste lengteaanduidingen van tonen ontstaan.
  • Boven de koraalmelodie in lange notenwaarden (de cantus firmus: sterke stem) worden beweeglijke melodiën gezongen.
  • Er komen meer tegenstemmen. In sommige gedeeltes zingt iedere stem in eigen ritmische patronen.
  • De imitatie doet zijn intrede: een stuk melodie wordt herhaald in een andere stem.
  • De tenor of cantus firmus stapt soms af van de trage lijn van de koraalmelodie en wordt ook beweeglijk. Dit wordt het motet, waarin elke stem met eigen ritme en tekst zijn weg volgt. Kerktoonsoorten groeien toe naar mineur en majeur.
  • Instrumenten worden weinig gebruikt. Alleen het orgel en gestemde bellen.

Persoonsnamen:

12e en 13e eeuw: Perotinus en Leoninus: musici/componisten verbonden aan de Notre Dame in Parijs. Hun werk werd door heel Europa gekopieerd en uitgevoerd

14e eeuw: Machault: 1300 -- 1377, geestelijke, hoveling, dichter en componist van o.a. Karel V.

 

Kerkmuziek - de mis, de getijden en de liturgie

Bron: compendium bij het liedboek van de kerken.

Het begin

De geschiedenis van de kerkmuziek in Nederland begint bij de vestiging van de christelijke kerk. Die vestiging was niet pas in de 8ste eeuw, bij de komst van zendelingen als Willibrord en Bonifatius - zoals velen in het Noorden van ons land denken, want in de 4de eeuw had Maastricht reeds een bisschopszetel. Van die eerste eeuwen is ons weinig bekend. Wat het Noorden betreft, daar zou men Bernlef de eerste ,,kerkmusicus" kunnen noemen; deze (overigens legendarische! ) blinde bard uit Holwerd bezong, al harpspelend, v66r zijn bekering ,,de daden der ouden en de gevechten der koningen". Na zijn bekering stelde hij zijn kunst in dienst van de evangelie~verkondiging en zong hij psalmen...

In de 9de eeuw vond in N.W. Europa een opleving plaats op het gebied van wetenschap en kunst, de zgn. Karolingische Renaissance, waaraan stellig ook onze streken deel hebben gehad. Karel de Grote bevorderde de invoering van de Romeinse liturgie en kerkmuziek, het afschrijven en uiteraard ook het gebruik van kerkboeken: Antiphonaria en Gradualia (de koorboeken met wisselzangen enz.).

De kerkmuziek der Middeleeuwen was de één-stemmige, onbegeleide zang, het Gregoriaans, dat gebaseerd was op het reciterende psalmengezang, zoals dat ook eenmaal in Israël had geklonken: de psalmodie, d.i. de (in West Europa: Latijnse) onberijmde psalm. De psalmen werden responsoriaal gezongen, d.w.z. afwisselend tussen solist en koor, of antifonaal, d.w.z. afwisselend tussen twee koren. Bij de psalmodie wordt de psalm onderbroken door en beëindigd met het keervers, de antifoon*, dikwijls een belangrijk vers uit de psalm zelf. Het Klein Gloria gaf de psalm een christelijk stempel.

Het repertoire van het Gregoriaans bestaat uit de muziek voor de dagelijkse getijde-diensten, de officie-gezangen (waartoe ook hymnen behoren), en de misgezangen, n.l. de vaste gezangen die tot het ordinarium (= het ,'gewone' van de dienst), en de wisselende gezangen, die tot het proprium de tempore (= het tijd-eigene) behoren. Het ordinarium bevat het Kyrie en Gloria (aan het begin van de dienst), het Credo (de geloofsbelijdenis van Nicea), en tijdens de dienst van de Tafel:

het Sanctus met het Benedictus en het Agnus Dei. Tussen de schriftlezingen zingt men psalmen (die dus tot het proprium behoren): de gradualia - aangeheven vanaf de trappen (gradus) van het altaar - en het Halleluja-gezang.

Het is niet ondienstig, meteen te vermelden dat de slot-a daarvan in de Middeleeuwen hoe langer hoe meer werd uitgesponnen, als een lied-zonder-woorden. Augustinus waardeerde deze jubel als zingen van het hart, wat niet met woorden kan worden gezegd Men had echter toch behoefte aan zinvoller zang en vanaf de 9de eeuw werden bij de uitgesponnen melodieën van genoemde slot-a woorden gedicht: pro sequentia, = ten vervolge, n.l. op het ,,Halleluja". Hieruit ontstonden, zeer onregelmatige, liedvormen, de zgn. sequensen. Het Concilie van Trente (1570) verbood op vijf nadeze sequensen in de eredienst (er zijn ongeveer 6.000 overgeleverd)

Niet alleen de slot-a van het ,,Halleluja" werd lang uitgerekt, dat gebeurde ook met de slot-e van het ,,Kyrie"! Ook hierbij werden teksten geschreven: zgn. tropen, van het Griekse ,,tropos", toelichting, n.l. bij het Kyrie, maar ook het Sanctus en de introitus werden ,,getropeerd". De tropen, waarvan de teksten meestal niet belangrijk waren (dikwijls waren het grollen), werden alle afgeschaft op het Concilie van Trente.

Liturgie

1. De mis

De mis bestaat uit twee delen: de voormis waarin twee bijbellezingen centraal staan, en de eucharistieviering waarin het laatste avondmaal herdacht wordt.

 

Gesproken:

Ordinarium (vaste gezangen):

Proprium (gezangen die elke keer anders kunnen zijn):

Voormis:

   
   

Introitus / binnenkomstlied

Welkomstwoord priester

   

Schuldbelijdenis allen

   
 

Kyrie eleison

 
 

Gloria in excelsis deo et in terra pax hominibus...

 

Gebed

   

1e lezing uit de bijbel: brief

   
   

Tussenzang

2e lezing uit de bijbel, evangelie

   
   

Lofzang

Preek /bijbeluitlegging

   
 

Credo in unum Deum / geloofsbelijdenis

 

Eucharistieviering:

   

Offerande/collecte

 

Offertorium

Eucharistisch gebed

   
 

Sanctus sanctus sanctus

 

Gebed; "onze vader"

   

Priester en misdanieren nemen brood en wijn

Agnus dei qui tollis peccavi...

 

Gemeente neemt brood en wijn

 

Communio

    Slotlied
Zegen en wegzending (missa ite est)    

 

Eucharistie:

Tijdens collecte wordt op het altaar een laken gelegd waarop de monstrans of ciborie (een schaal op een voet) met hosties en de miskelk met wijn worden geplaatst. Beide zijn vaak van edelmetaal. Beide voorwerpen en het altaar worden bewierookt. Daarna wordt het brood en de wijn geheven, een bel klinkt en de woorden die Jezus sprak bij het laatste avondmaal worden herhaald; brood en wijn zijn symbolen voor de verbreiding van het geloof door middel van de discipelen die het ritueel voortzetten. En zo ging het door, tot aan de huidige dag, want tijdens de communie neemt iedere katholiek brood en wijn en gelooft daarbij in Christus. Brood en wijn zijn dan het vlees en bloed van Christus. Dit is in de Katholieke kerk een sacrament: één van de zeven heilige rituelen waarin God zelf aanwezig is.

2. Het officie

Dit zijn de acht getijden of gebedsdiensten op vaste tijdstippen van de dag. Ze heten: metten lauden, prime, terts, sext, none, vespers, completen. Er wordt gebeden en gezongen. Het 'brevier' was een boekje voor de priester waarin deze teksten geschreven waren, vaak geillustreerd met miniaturen.

 

Religieus drama in en buiten de kerk

bronmateriaal

Processies (religieuze optochten) zijn zeer oude vormen van religieuze uiting. Het langzaam in een rij lopen achter heilige symbolen is een vorm van dans en van drama. De toeschouwers kennen de symbolen en zijn onder de indruk van de langzaam voortschrijdende stoet. Ze worden zo aangezet tot geloofsbeleving. Een zelfde doel heeft het drama in de kerk: geloofsbeleving voor het ongeletterde volk. Het drama moet steeds grote indruk gemaakt hebben: niemand kan immers lezen en er zijn nauwelijks afbeeldingen te zien in de leefwereld van de middeleeuwer. Maar hier gebeurt het voor hun eigen ogen. Het lijkt wel of ze er zelf bijgeweest zijn. Het 'toneel' is dikwijls de ruimte voor het oxaal of hoogkoor: tegen de achtergrond van het koorhek staat een tweede altaar. Dit kan bijvorbeeld het graf van Jezus uitbeelden. Later worden ook meerdere plaatsen in de kerk gebruikt. Soms werden hulpmiddelen als een takel gebruikt om een engel aan te laten zakken. Naast de belangrijkste onderwerpen uit de bijbel worden steeds meer verhalen in drama omgezet. Gevolg is ook dat de spelen naast de eigenlijke kerkdienst een eigen leven gaan lleiden. De Italianen ontwikkelden de toneelstijl steeds verder: er kwam steeds meer een dramatische en emotionele handeling; tekst en aankleding kregen steeds meer aandacht. Bovendien ontwikkelde zich een inleidend voorspel dat steeds meer het karakter van een aparte komedie krijgt. In de loop der tijd zorgen deze'profane'elementen in het toneel steeds meer weerstand van de kerkleiders om toneel in de kerk toe te laten tot dat het, zeker bij de Calvinisten, geheel uitgebannen wordt.

Kenmerken:

De teksten worden grotendeels gezongen, kennen veel herhaling en dialogen: vraag-antwoordzinnen. Ze waren zoveel mogelijk aan de bijbel ontleend en dus in het Latijn. Pas later worden stukken landstaal ingevoegd, maar dan alleen bij minder heilige personages. De spelers zijn in eerste instantie geestelijken. In de loop der middeleeuwen worden de karakters en de handeling steeds menselijker. (zie ook de ontwikkeling van beelden en schilderijen waar steeds meer gevoelsuitdrukking in komt. Beeldhouwers lijken soms ook geïnspireerd door het toneel in de kerk te zijn) De plaats van het spel is in het begin in de kerk maar in later eeuwen verplaatste die zich ook naar buiten, voor de kerkdeur of op straat.

Belangrijke onderwerpen voor in en buiten de kerk zijn:

  • Het kerstspel met als mogelijke onderwerpen: de herders, de drie koningen en de kindermoord.
  • Het paasspel: de opstanding van Christus uit het graf.
  • Het paradijsspel: God, de duivel, Adam en Eva.
  • Profetenspel: voorspellingen van Christus komst in het oude testament

Deels los van de bijbel en dus ontvankelijker voor aardse dwalingen:

  • Mirakelspelen: wonderen die door een heilige verricht zijn.

De kostuums bestaan voor een deel uit typisch geestelijke kledingstukken: Alba, dalmatiek, casula en pluvia. De grime beperkt zich tot aangeplakte baarden en wellicht wat kleur (rood of zwart) voor het gezicht van de duivel. Requisieten zijn bijvoorbeeld kruizen en diademen. Dieren worden soms ingezet: met name de ezel als bijbels dier kan de kerk ingeleid worden. Maar ook een paard als het zo uitkomt. Op het feest der zotten van 1 januari was het al gebruikelijk om op een ezel rond te rijden, ook in de kerk.


Paasspel uit 970

Tijdens de kerkdienst is de gang van de mis ('Canon Missae') natuurlijk vastgelegd. Daarnaast zijn er echter elementen als Psalmen, Introitus, Kyrie, Gloria e.d. die grotere vrijheid toelaten. Men kan hier en daar een 'tropus' invoegen, die een zekere uitweiding geeft. Een voorbeeld? In de Paasmis zingt men 'Resurrexi et adhuc tecum sum' (ik ben opgestaan en voortaan met u). Hierop kan men nu de paraphrase maken: 'Interrogatur: Quem queritis O christicolae? Responditur: Jesum Christum Nazarenum.' (Er wordt gevraegd: wie zoekt gij O vereersters van Christus? Het antwoord luidt: Jezus Christus van Nazareth). Tegen het jaar 900 wordt deze tropus al enigszins uitgebreid met de mededeling van de engel, dat Christus verrezen is: 'gaat, maakt de boodschap van zijn Verrijzenis bekend'. Daarna valt het koor in met de woorden van Christus zelf. Van hieruit naar de geacteerde voorstelling van de gang der vrouwen naar het Graf en haar ontmoeting met de engel, is nog maar een enkele stap.

Nog vóór de tiende eeuw ten einde is en wel omstreeks 970, beschrijft bisschop Aethelwold van Winchester in zijn Regularis concordia hoe deze scene 'gebracht' moet worden: ...vier geestelijken zullen zich verkleden. Eén van dezen, gekleed in een alba (het witte priesterkleed) komt binnen alsof hij deel wil nemen aan de 'dienst. Hij gaat onopvallend bij het Graf (het altaar) zitten, met een palmtak in de hand. Dan komen de anderen binnen met witte kappen over het hoofd en met wierookvaten in de hand. Zij lopen voorzichtig alsof zij iets zoeken en naderen zo het Graf. Wanneer degene die daar reeds zit, het drietal ziet aankomen, begint hij met zachte stem te zingen: 'wie zoekt gij?' Daarna antwoorden de drie anderen unisono: 'Jezus Christus van Nazareth'. Hij antwoordt dan: 'die is niet hier' - en hij toont de lege plek waar alleen nog maar de doeken liggen van Christus' lichaam. Hij houdt deze in de hoogte om te bewijzen dat de Heer is verrezen en niet langer in deze doeken gehuld ligt. Zij zingen de hymne 'de Heer is opgestaan uit het graf' en leggen de linnen doeken op het altaar. De priester, met hen verheugd over de triomf van Christus over de dood, begint de hymne 'Wij loven U, 0 God' en als deze zang begonnen is, beginnen alle kerkklokken te luiden'.

In zekere zin kunnen wij zeggen, dat bisschop Aethelwold hier als regisseur optreedt. Rondom deze eenvoudige handeling begint zich nu een spel te ontwikkelen. Er zijn allerlei mogelijkheden aanwezig om de kern van de handeling met anecdotische elementen te omgeven. Wat de zang betreft, net als bij de eerste gespeelde tropus kiest men reeds bestaande melodieën bij de nieuwe tekst. Hoewel de teksten in het Latijn worden gezongen, is iedere toeschouwer voldoende op de hoogte van de gang der handeling, dat hij deze kan volgen. In de twaalfde eeuw begint men echter de Latijnse tekst te vermengen met gedeelten in de landstaal.

Allereerst de toevoegsels aan de centrale handeling van het Paasspel. De gang der vrouwen (door de kerk naar het 'Graf') wordt onderbroken door het kopen van specerijen (soms gesymboliseerd door kaarsen). Dit is eerst een zwijgende handeling, maar weldra wordt de 'mercator' ook sprekende, d.w.z. zingende ingevoegd. In een Frans handschrift uit de twaalfde eeuw noemt hij zijn prijs; de vrouwen zingen 'O smart' en wenden zich vervolgens tot een tweede 'unguentarius' (reukwerk-verkoper) die blijkbaar minder hoge prijzen vraagt. Hier hebben we reeds een duidelijk symptoom van de neiging tot 'optuigen' van de handeling. Nog één stap verder en wij komen tot de inleiding waarin de koopman zijn waren aanprijst en tot scenes met zijn brutale personeel en zijn niet al te trouwe echtgenote. Maar voorlopig duurt het nog wel even, eer we daaraan toe zijn. Vooral in het Duitse taalgebied en het meest in Wenen kunnen de mensen van de dertiende eeuw aan dergelijke taferelen groot plezier beleven. Dit alles speelt zich dan echter niet meer binnen de kerk af.

Uitbreidingen, die nog binnen het kader van de zuiver religieus bedoelde tropus vallen, zijn o.a. deze: de vrouwen, op weg naar het graf van Christus, maken zich zorg, hoe zij de zware steen zullen kunnen afwentelen. Teruggekeerd tonen zij de doeken uit het graf aan de apostelen. Twee van dezen worden nu van hun kant ook handelende figuren: het zijn Petrus en Johannes die zich spoeden naar het lege graf. Johannes, als jongere, bewijst daarbij dat hij het hardst kan lopen.

Men heeft voorlopig vermeden, Christus zeif in de handeling te betrekken. Sedert ongeveer 1200 treedt Hij echter ook persoonlijk op. Wij zien hier een direct verband met de tijdgeest.

 


 Paasspel van Maastricht

Een van de allermooiste voorbeelden daarvan bezitten wij in ons eigen land: het Paasdrama van Maastricht, dat omstreeks 1200 moet zijn ontstaan. De optredende figuren zijn: Christus als tuinman, gekleed als diaken met hoofddoek (humerale); Christus als pelgrim, gekleed in ruwharige rok, ongeschoeid en met pelgrimsstaf; twee engelen bij het graf op het priesterkoor: één aan het voeteneinde, één aan het hoofdeinde; Maria Magdalena en twee andere vrouwen: Maria Jacobi en Maria Salome; twee leerlingen als pelgrims gekleed (zij vervullen enigszins de rol der Emmaüsgangers)

In de Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht zingt men het laatste responsorium der Metten: 'Toen de Sabbath voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria van Jacobus en Salome reukwerken om Jezus te gaan balsemen, alleluia. En zeer vroeg op de eerste dag der week, kwamen zij bij het graf, toen de zon reeds was opgegaan'. Na het beëindigen van deze zang, schrijden de drie geestelijken die de vrouwen uitbeelden, met een doek of kap over het hoofd in de richting van het Graf:

'Ja, laten wij ons inderdaad haasten naar het Graf om het allerheiligste lichaam van den Geliefde te balsemen'. Onderweg roept Magdalena ontzet uit: 'wie zal de Steen afwentelen?', zij snelt vooruit en ziet dat dit reeds geschied is: een witte jongeling heeft er plaats genomen en wenkt haar te komen. Na de mededeling over de Verrijzenis treden de vrouwen het graf binnen en de engel herinnert aan de woorden die Christus zelf hierover gesproken heeft. Hij eindigt met de vermaning, heen te gaan en Petrus de Verrijzenis te melden. De tweede engel stelt de vrouwen nader gerust. Terwiji twee vrouwen naar verschillende richtingen ('naar het noorden en het zuiden') vertrekken, kan Maria Magdalena het graf maar niet verlaten. Met tranen in de stem ('lacrimabiliter' zegt de toneelaanwijzing) zingt zij '1k zoek en vind niet waar zij Hem hebben neergelegd'. Als zij uit het graf naar buiten komt, volgt de ontmoeting met Christus als tuinman. Hierna komt tenslotte de herkenning. Nadat Magdalena zich aan Christus voeten heeft geworpen, doet Christus een stap terug en zingt 'Noli me tangere ('raak mij niet aan, want ik ben nog niet opgeklommen tot Mijn Vader, Mijn God en uw God, alleluia'). Christus verwijdert Zich en Magdalena neemt uit het graf een klein kruis met de zweetdoek op. Twee leerlingen verschijnen intussen als pelgrims en vragen haar wat Maria Magdalena onderweg gezien heeft. Deze vertelt het gebeurde en heft tenslotte het kruis op 'Christus, mijn hoop, is verrezen. Hij zal u voorgaan naar Galilea' (dit is blijkbaar ook de benaming van het hoog gelegen koor) Na het vertrek van Maria Magdalena verschijnt Christus als pelgrim. De toneelaanwijzing geeft zijn kleding aan, die hierboven reeds is genoemd. Hij vraagt de beide leerlingen wat zij met elkander bespreken en waarom zij bedroefd zijn, 'alleluia'. Het antwoord begint met de vraag 'Zijt gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat gij niet weet, welke dingen in deze dagen zijn gebeurd'? Met spreekstem vraagt Christus:

'wat dan?' ('quae' ?). Daarna vertelt de tweede leerling wat er zich heeft afgespeeld. Christus antwoordt met de woorden uit het Evangelie: '0 onverstandigen en tragen van hart in het geloven van al hetgeen de profeten voorspeld hebben, alleluia'. Daarna verdwijnt Hij plotseling uit hun midden. Nu volgt de apotheose op het hoger liggende priesterkoor waar de drie vrouwen en de pelgrims samenkomen. Terwijl de gelovigen in de kerk zich voor dit priesterkoor verzamelen, tonen de vrouwen de lijkwade. Met luider stem ('altissimo voce clamantes' zegt de toneelaanwijzing) zetten nu alle medespelers de antiphoon in met de volgende tekst: 'De Heer die voor ons aan het Kruishout hing, is uit het Graf verrezen, alleluia'. Het geheel eindigt met een 'Te Deum' waar de stemmen van alle aanwezigen in meeklinken.

Bij de vele honderden variaties van het Paasspel behoort dit uit Maastricht tot de mooiste. Daarom is het hier uitvoerig geciteerd.

Op deze wijze wordt dramatisch en aan het slot, met medewerking van alle gelovigen, de Verrijzenis een feit, dat allen als het ware persooniijk hebben meegemaakt en waarvan zij de emoties hebben ervaren.

 Bronmateriaal:

  • De bijbel
  • Haal het doek op, vijfentwintig eeuwen in en om het Europese theater door Fr.W.S. van Thienen
  • Legendes rond heiligen

 


Woordenlijst bij kerkelijk drama:

heilige symbolen

relieken, schilderijen, beelden, vaandel

zingen

in een kleine omvang en soms op één toon het reciteren

onderwerpen

zie hoofdpersonen uit de bijbel en evangeliën bij Christendom

geestelijke kledingstukken

afbeeldingen

Albe= lang wit gewaad, dalmatiek=opzij gespleten overkleed met halflange, wijde mouwen, gedragen over de alba door diaken; casula= klokvormige kazuifel ronde mantel met opening voor het hoofd, word gedragen door de priester als hij de mis opdraagt; pluvia= aan de voorzijde met gesp te sluiten, cape-vormige koorkap. De laatste drie kledingstukken altijd van zware en kostbare stof.

oude testament

"Eerste deel" van de bijbel. Het boek met Adam en Eva, Noach en Sodom en Gomorra.Geschreven ruim voor het begin van de jaartelling in het Hebreeuws en Aramees. Het bevat de geschiedenis van het joodse volk en de regels waaraan de gelovigen zich moesten (moeten) houden.

pasen / paaszondag

opstanding; belangrijkste viering in de kerk.

canon missae

De vaste elementen die elke mis moet bevatten, zie ook Christendom

psalm

Eénstemmig ezang met bijbelse tekst in het Latijn

introitus

Gezang dat hoort bij de binnenkomst van priester en koor

kyrie

Eerste psalm de mis

gloria

Tweede psalm van de mis

paraphrase

Omschrijving met andere woorden

wierookvat

Attribuut in de katholieke dienst oorspronkelijk het branden van wierook verdrijft kwade geesten.

unisono

Meer stemmen zingen dezelfde melodie

hymne

Lofzang

anecdote

Opmerkelijke gebeurtenis als illustratie bij een betoog

mercator

Koopman

responsorium

Vraag-antwoord gezang tussen voorzanger (priester) en koor en/of gemeente

metten

Eerste 'getijde'= korte gebedsdienst in de vroege ochtend

sabbath

Joodse rustdag (zaterdag)

Maria Magdalena

Berouwvolle zondares die aanwezig was bij de kruisiging.

de Steen

= grafsteen voor de grot waarin Jezus na de kruisafname en de balseming gelegd werd.

verrijzenis

Opstanding van Jezus uit de dood

Petrus

Eén van de volgelingen van Jezus

pelgrim

Reiziger naar een heilige plaats

hoogkoor

Verhoogde gedeelte achter in de kerk, meestal met koorbanken en afgesloten door een koorhek het lage gedeelte. Eronder vaak de 'crypte'

evangelie

Beschrijving van het leven van Jezus. Zie ook Christendom.

apotheose

Ontknoping

antiphoon

Vraag-antwoord gezang tussen twee helften van het koor.

te deum

Lofzang 'voor God'

 


 

Woordenlijst kerkenbouw

Bron: CD-DOM (cd-rom over de geschiedenis van de dom van Utrecht)

aartsbisdom
zelfstandige kerkprovincie waaronder een aantal bisdommen valt. Het bisdom Utrecht hoort tot het aartsbisdom Keulen tot 1559. Daarna wordt het een zelfstandige kerkprovincie tot 1580 als de katholieke eredienst in Utrecht wordt verboden. In 1853 wordt het aartsbisdom Utrecht hersteld.

aartsbisschop
de bisschop van een hoofdstad van een kerkprovincie. Hij bestuurt zelf een bisdom en heeft het oppergezag over de andere bisdommen van de kerkprovincie.

aflaat
een gedeeltelijke kwijtschelding van zondestraf in het vagevuur. Hierbij werd vaak een financieel offer gebracht.

altaarretabel
achterbouw van een altaar, geplaatst op een altaartafel, meestal beschilderd of gebeeldhouwd.

arcade
boog met zuilen of pijlers, ook wel een reeks bogen met zuilen of pijlers.

atrium
Romeins binnenhof omgeven door zuilengalerijen, afgedekt met naar binnen hellende daken.

avondmaal
plechtigheid in de protestantse kerk waarbij de gemeenteleden brood en wijn nuttigen als symbool van hun één zijn met Christus, herinnering aan het laatste avondmaal door Christus met zijn discipelen gehouden.

beeldenstorm
calvinistische volksbeweging tegen het vereren van beelden in de kerken, gepaard gaande met gewelddadige vernieling en verwoesting van beelden, schilderijen en andere kostbaarheden en kunstwerken in de kerken. In Nederland vooral in 1566, maar ook nog daarna.

beuk
omvangrijk bouwdeel van de romp van een kerk, aan weerszijden begrensd door rijen pilaren of muren. De aanduidingen beuk en schip worden wel door elkaar gebruikt.

bisdom
gebied waarover een bisschop het kerkelijk bestuur heeft. Het bisdom Utrecht valt tot 1559 onder het aartsbisdom Keulen. Daarna wordt het een zelfstandige kerkprovincie, een aartsbisdom, tot 1580 als de katholieke eredienst in Utrecht wordt verboden. In 1853 wordt het aartsbisdom Utrecht hersteld.

bisschop
priester van hoge rang, veelal belast met het bestuur van het bisdom.

bouwloods
middeleeuwse gemeenschap van werklieden die onder leiding van een bouwmeester werkzaam zijn in de werkplaats van een groot bouwwerk, kerkgebouw of stadhuis.

bouwmeester
ontwerper en leider van een bouwwerk. De bouwmeester was afkomstig uit het bouwvak.

calvinist
aanhanger van Calvijn, één van de voormannen van de Reformatie. Hij ontwierp strikte regels voor de gelovigen.

carillon
klokkenspel

castellum
Romeinse legerplaats

claustraal huis
huis binnen het gebied dat tot een kapittelkerk hoort. De huizen zijn particulier eigendom van de geestelijken die er wonen.

dakruiter
torentje, meestal van hout, dat op de nok van een dak lijkt te rijden, meestal een kerkdak. Een dakruiter bestaat uit één of meer opengewerkte delen, bekroond met een spits, een opengewerkte peer of een koepel.

Domkapittel
de gemeenschap van kanunniken, geestelijken, die in eigen huizen rond de Domkerk woonden. De Domkerk was tot 1811 in het bezit van het Domkapittel.

doophek
hek in een protestantse kerk dat het doophuis omsluit, een rechthoekige ruimte waarin de doop wordt toegediend. De preekstoel en de zitplaatsen van de kerkeraadsleden bevinden zich in het doophuis.

doopvont
een bekken waarin het doopwater wordt bewaard, meestal geplaatst in het westen van de kerk bij de hoofdingang. Ook het wijwater wordt in het doopvont gewijd.

episcopaat
ambtsperiode van een bisschop.

fabriek
de organisatie van waaruit het vermogen van de kerk werd beheerd, vooral de gebouwde eigendommen en de inkomsten daaruit. De kanunniken kozen uit hun midden het hoofd van de fabriek, de fabrieksmeester, die ook belast was met het toezicht op de uit te voeren werken.

fronton
driehoekige bekroning van een gevel, venster of ingang. Een Renaissance-motief.

gereformeerd
tot het begin van de 19de eeuw de aanduiding voor de volgelingen van Calvijn. De gereformeerde kerk was tot 1795 de heersende kerk. In 1816 verandert de naam in Nederlands Hervormde kerk. De term 'gereformeerd' blijft gebruikt voor de orthodoxe vleugel.

gewelfrib
boog, aangebracht in een gewelf ter ondersteuning.

gotisch
bouwstijl die zich sedert begin 12de eeuw in Europa uit de Romaanse bouwkunst ontwikkelt. Het is een technisch constructieve vooruitgang. Slanke pijlers en smalle ribben vormen het 'geraamte' van het bouwwerk, dat bijeen wordt gehouden door steunberen en luchtbogen. De massieve muren zijn niet langer noodzakelijk en het is mogelijk grote, hoge ramen, te plaatsen.

grootkapittel
de gezamenlijke kapittels van Utrecht: het kapittel van de Domkerk, Oudmunster, St. Jan, St. Pieter en St. Marie.

hervormd
sinds 1816 officieel de naam van de grootste protestantse kerk in Nederland, de Nederlands Hervormde kerk.

hervorming
beweging waarbij christenen zich in de 16de eeuw afscheidden van de katholieke kerk, ook Reformatie genoemd. Het doel was het herstel van de oorspronkelijke zuiverheid in leer en gebruiken in de christelijke kerk. Binnen de Hervorming ontstonden verscheidene afsplitsingen, zoals de calvinisten, de lutheranen en de doopsgezinden.

immuniteit
- een gebied rond een kapittelkerk dat eigendom was van een kapittel. De huizen van de kanunniken, die particulier eigendom waren, stonden binnen de muren van de immuniteit.

- het eigen rechtsgebied. Niet alleen de kerk en het gebied rond de kerk maar ook de bezittingen van de kerk vielen onder het eigen rechtsgebied, waar de wereldlijke rechtspraak geen zeggenschap had.

kanunniken
geestelijken uit vooral aanzienlijke families, vaak met een universitaire opleiding (rechten). Ze verzorgden het dagelijkse koorgebed in een kapittelkerken leefden volgens vastgestelde regels. Ze leidden geen gemeenschappelijk leven zoals monniken, maar woonden in hun eigen huizen rond de kapittelkerk waar ze een eigen, vaak rijke huishouding voerden.

kapittel
een gemeenschap van kanunniken, geestelijken, die in eigen huizen rond hun kerk woonden. Ze leidden geen gemeenschappelijk leven zoals kloostergemeenschappen.

kapittelkerk
een kerk die in gebruik is bij een kapittel. Leken hebben toegang tot het schip om te bidden bij de altaren en de relieken te vereren. Het kapittel komt dagelijks op bepaalde tijden bijeen voor het zingen en zeggen van het koorgebed in het koor van de kapittelkerk.

kathedraal
hoofdkerk van een bisdom; zetel van de bisschop.

ketter
een gedoopt christen die bewust en hardnekkig leerstukken van de (katholieke) kerk verwerpt. Na 1517 waren in Nederland de protestanten de belangrijkste ketters.

koor
deel van een kerk waar zich het (hoofd)altaar bevindt. Alleen geestelijken hebben er toegang.

koorgebed
gebed dat afwisselend in koor wordt gebeden en gezongen. De kanunniken kwamen op vastgestelde tijden voor het koorgebed bijeen. Ze werden voor het onderhouden van dit eeuwigdurende gebed gevoed en gekleed door de gewone gelovigen, later betaald. Drie rijen engelen gaven het koorgebed door tot aan Gods troon; een eeuwigdurende verbinding tussen hemel en aarde.

koorhek
afsluiting van het koor aan de zijde van het schip of het dwarsschip. Aan het eind van de middeleeuwen vervangt het koorhek het meer samengestelde oksaal. Het bestaat uit een borstwering van panelen met een open gedeelte daarin, gevuld met gesneden of gedraaide houten of koperen spijlen.

koorlantaarn
sterk opengewerkt bovenwerk van het koor, ook bedoeld om licht toe te laten.

kooromgang
in een boogvorm lopende wandelgang die de weerszijden van het koor met elkaar verbindt.

kraagsteen
in een muur gemetselde, uitstekende steen, die dient om bogen, gewelfribben of het einde van een balk te dragen.

kruisbloem
topversiering in de vorm van een kruis

late gotiek
de derde, laatste periode van de gotiek (na de vroege en de hoge gotiek). De late gotiek verspreidt zich eind 14de eeuw vanuit Frankrijk over Europa.

De benaming flamboyant dankt de stijl aan de kronkelende venster- en nisversieringen die aan vlammen doen denken. Het is een weelderige stijl met een vaak niet meer functionele behandeling van bouwdelen en ornamenten.

luchtboog
hooggeplaatste stenen steunconstructie, meestal in de vorm van een halve boog, een specifiek gotische constructie. De luchtboog dient om uitwendig de zijdelingse druk van gewelven en kapconstructie van de middenbeuk op te vangen en over te brengen naar de steunberen ter zijde van de zijbeuken.

luiklok
klok waarmee geluid wordt, in tegenstelling tot een klok die men bespeelt (bij een carillon) of een klok die slaat.

moduul
eenheid waarin de verhouding van de onderdelen van een gebouw wordt uitgedrukt.

neo-gotiek
architectuur die de gotische bouwstijl doet herleven, vooral in de 19de eeuw.

neo-renaissance
architectuur die de renaissance bouwstijl doet herleven, vooral in de 19de eeuw.

ornamentiek
beeldhouwwerk dat ter versiering is aangebracht.

oud-katholieke kerk
afscheiding van de katholieke kerk, die de onfeilbaarheid van de paus, de onbevlekte ontvangenis, de leer van de aflaat, de verplichting van het celibaat enz. verwerpt. In Nederland ontstaan in het begin van de 19de eeuw, na 1870 een internationale beweging.

pandhof
binnenplaats, omgeven door een kloostergang. Bij de Domkerk als eigennaam gebruikt: de Pandhof.

parochiekerk
kerk waar de leken bijeen komen voor het bijwonen van de mis. Dit in tegenstelling tot kerken van geestelijken zoals klooster- en kapittelkerken.

passiewerktuigen
voorwerpen die bij de kruisiging van Christus gebruikt zijn: ladder, speer, lans, gesel, doornenkroon, hamer, nijptang.

patriotten
leden van een staatspartij in de tweede helft van de 18de eeuw in Nederland: de tegenstanders van het huis van Oranje en de heersende klasse.

pinakel
slanke beëindiging in de vorm van een spits gotisch torentje. Boven en naast vensters en portalen, op steunberen (als verzwaring) en borstweringen.

polychromie
veelkleurige beschildering van bouw- en beeldhouwwerk

poortgebouw
een gebouw dat ter afsluiting, bewaking en controle dient op de plaats van de toegang tot een stad, kasteel, kerk en dergelijke.

proost
de voorzitter van een kapittel. Hij behartigde de zakelijke belangen van het kapittel en was belast met rechtspraak.

protestant
lid van één van de kerkgenootschappen die ten gevolge van de kerkhervorming van de 16de eeuw ontstonden.

protestantisme
overkoepelende naam voor de kerkgenootschappen die ten gevolge van de kerkhervorming van de 16de eeuw ontstonden.

Reformatie
beweging waarbij christenen zich in de 16de eeuw afscheidden van de katholieke kerk, ook Hervorming genoemd. Het doel was het herstel van de oorspronkelijke zuiverheid in leer en gebruiken in de christelijke kerk.

relieken
delen van het stoffelijk overschot, van kleding of van attributen van een heilige. Men schreef aan sommige relieken wonderkracht toe.

Renaissance
in de bouwkunst kwam deze stijl ca. 1420 in Italië op en verspreidde zich via Frankrijk (ca. 1500) naar de Nederlanden (vanaf ca. 1530) Men stelde zich het opnieuw toepassen van de stijl van de klassieken ten doel.

rijksbouwmeester
in Nederland de architect die in dienst is van de staat en alle belangrijke rijksgebouwen ontwerpt of de supervisie over de ontwerpen van andere architecten heeft.

Romaans
bouwkunst die zich sinds het einde van de 10de eeuw ontwikkelde in Zuid-Europa, voortbouwend op de Romeinse bouwkunst: massieve stenen muren en ton-, kruis- en koepelgewelven. Decoratieve kenmerken zijn de rondboognissen en de rondboogfriezen langs daklijsten en torengeledingen. door ronde bogen.

sacramentshuis
bewaarplaats voor de H. Eucharistie, dus dicht bij het hoofdaltaar, meestal in of bij de noordwand van het koor.

sacristie
vertrek in een kerk nabij het hoogaltaar in het koor, waar men de benodigdheden voor de altaardienst bewaart. Hier kleden de geestelijken zich voor het verrichten van de kerkelijke bediening.

schip
romp van een kerk, vormt samen met het dwarsschip de ruimte die bestemd is voor leken. In de kapittelkerken zoals de Dom ligt het accent op het koor, waar de geestelijken zich verzamelen voor het koorgebed.

schuilkerk
ruimte die tijdens het verbod op de katholieke eredienst in Nederland (1580-1795) werd gebruikt voor het heimelijk opdragen van de katholieke eredienst.

spitsboog
een voor de gotiek typerende boogvorm, gevormd door twee elkaar snijdende bogen met gelijke straal.

spitsboogarcade
een boog die gevormd wordt door twee cirkels die elkaar in een scherpe hoek snijden, of een reeks van deze bogen met zuilen of pijlers.

stadsbeiaardier
een bespeler van het carillon die in dienst is van de stad.

steunbeer
massieve plaatselijke verzwaring van muurwerk om de muren te verstreken en zijdelingse druk van op de muur rustende gewelven, luchtbogen en kappen te weerstaan.

Sticht
grondgebied waar de bisschop van Utrecht het wereldlijk gezag uitoefende: de provincies Utrecht, Overijssel en Drenthe. Het geestelijk gezag oefende de bisschop uit in het bisdom Utrecht, dat aanzienlijk groter was: het gebied boven de grote rivieren en Zeeland behalve de Groninger Ommelanden.

straalkapellen

kapellen die als een krans het kooreinde van een Romaanse of gotische kerk omgeven.

topgevel
gevel met een bekroning aan de korte zijde van een gebouw. De gevellijn volgt het min of meer driehoekige dak.

tracering
opengewerkte versiering in de koppen van gotische vensters, nissen en muurvlakken.

Trajectum
Latijn: doorwaadbare plaats. Ook de naam van de legerplaats die de Romeinen bouwden in een bocht van de toenmalige loop van de Rijn. Deze legerplaats lag op de plaats van het tegenwoordige Domplein in Utrecht.

transept
dwarsschip van een kerk.

traptoren
nauwe toren met wenteltrap.

travee
afstand tussen twee opvolgende steunpuntassen (bijvoorbeeld pilaren) in de lengterichting van een gebouw of bouwdeel.

tufsteen
puimgesteente dat als vulkanische as en steensplinters is neergekomen en verkit. De in Utrecht gebruikte tufsteen kwam vooral uit de Eifel.

voorslag
enkele klokken die spelen voor de halve en de hele uurslag. Een carillon is een uitgebreide vorm van de voorslag.

waterspuwers
uitmonding van een goot, vergaarbak of waterbekken, waardoor overtollig water buiten de gevel van een gebouw kan wegstromen. In de middeleeuwen gaf men de ver uitstekende spuwers graag de vorm van een dierlijk of diabolisch monster, later vaak een leeuwenmasker.

westbouw
westelijk dwarsblok van een belangrijke kerk. Kenmerkend is de torenachtige opbouw met galerijen, dwars voor de volle breedte van de kerk, soms zelfs breder.

wijwater
door een priester gewijd water waarmee de katholieke gelovigen zich besprenkelen als teken van reiniging.

wimberg
steile topgevel boven een venster of portaal, kenmerkend voor de gotiek.

zadeldak
dak met twee tegen elkaar geplaatste hellende vlakken.

zandsteen
natuursteen, in Nederland vrijwel altijd afkomstig uit Duitsland: Bentheimer zandsteen. Kan ijzer of andere metalen bevatten en daardoor bruin, rood of paars van kleur zijn.

 

Heilige plaatsen

DE HEILIGE GRAFKERK

"Toen gaf hij (Pilatus) Hem aan hen over, opdat Hij gekruisigd zou worden. En zij namen Jezus en leidden Hem weg. En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in 't Hebreeuws genaamd wordt Golgotha." (Joh, 19: 16, 17). De Heilige Grafkerk, de meest geëerde plaats voor het Christendom, is gebouwd op Golgotha, de plaats van de kruisiging én op het graf, waarin het lichaam van Jezus gelegd werd. De kruisiging vond plaats buiten de stadsmuur, dicht bij de stad. (Joh. 19:20). De eerste Heilige Grafkerk werd gebouwd in het jaar 324. Zij stond toen reeds bijna in het midden van de ommuurde stad, omdat 11 jaar na de kruisiging, in het jaar 44, Golgotha binnen de stad kwam te liggen wegens het bouwen van een nieuwe stadsmuur door Herodes Agrippa. In het midden van de vorige eeuw werden overblijfselen van deze oude muur ontdekt ten oosten en ten noorden van het naburige Russische Tehuis. Ook de vele joodse grafzerken, die thans nog binnen de kerk te zien zijn vormen het zekere bewijs, dat deze vroeger buiten de stad gelegen moeten hebben. Volgens de joodse wet mocht immers niemand binnen de Heilige Stad begraven worden. Ook de plaats, waar de kruisiging plaats vond en die door de christenen ten tijde van Constantijn vereerd werd, is vrijwel met zekerheid aan te wijzen. Keizer Hadrianus liet in 135 na Chr. op het graf van Jezus een Romeinse tempel bouwen die aan Jupiter gewijd werd, om op die manier elke herinnering aan de gewijde joodse en christelijke plaatsen uit te roeien. (Hetzelfde gebeurde in Bethlehem boven de geboortegrot). Maar dit optreden had juist het tegenovergestelde tot gevolg. In plaats van deze heilige plaats voor altijd aan de vergetelheid prijs te geven, werd het heilig oord door deze ontwijding veel meer gemarkeerd en ter nagedachtenis bewaard. Koningin Helena, de moeder van Keizer Constantijn, kon in 326 na Chr. de plaats van het kruis en het graf van Christus des te gemakkelijker opnieuw ontdekken. Op bevel van Constantijn en zijn moeder werd de tempel van Hadrianus afgebroken, om plaats te maken voor een prachtige basiliek, die echter bijna 3 eeuwen later, in 614, door de Perzen werd verwoest. Door de abt Modestus werd deze op kleinere schaal herbouwd, maar in het jaar 1009 opnieuw vernield door Kalief Hakem. Deze hernieuwde ontwijding van de heilige plaatsen door mohammedaanse handen vormde één van de voornaamste motieven, die het gehele christelijke Westen tot de Eerste Kruistocht aanspoorde. De Kruisvaarders bouwden 50 jaar na de inname van Jeruzalem de Grote Grafkerk, in 1149. In de loop der eeuwen zijn er hier en daar verschillende uitbreidingen op kleinere schaal aan toegevoegd, maar ondanks allerlei restauraties bestaat de kerk vandaag praktisch nog geheel in zijn originele vorm. Krachtens een status-quo decreet van de Turkse regering uit het jaar 1852 is de Grafkerk onder zes verschillende christelijke kerken (katholieken, Grieks-orthodoxen, Armeniërs, Syrische Jakobijnen, Ethiopiërs en Kopten) verdeeld. Saladin, die in 1187 Jeruzalem heroverde op het leger van de Kruisvaarders stond de christenen toe de heilige plaatsen te bezoeken, maar droeg de bestuursrechten over aan een mohammedaanse familie, die nog heden ten dage de sleutel van de Grafkerk bewaart, vanwege de voortdurende strijd over hun aandeel binnen de kerk. Over het uitvoeren van de noodzakelijke reparaties konden de verschillende religies moeilijk tot overeenstemming komen, zodat de kerk al meer en meer in verval geraakte. De regering onder het Britse mandaat was in 1927 gedwongen een onooglijke stalen balkconstructie aan te brengen om instorting - vanwege de aardbeving van dat jaar - te voorkomen. Pas in 1957 sloot men zich aaneen, om gezamenlijk het herstel en de vernieuwing van de kerk ter hand te nemen.

HET GRAF VAN CHRISTUS

"En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof, en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neer wegens de Voorbereiding der Joden (=Sabbath), omdat het graf dichtbij was." (Joh. 19:41,42). Dit graf bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van Golgotha, aan de voet van de heuvel Calvarie en daar werd Jezus begraven. Het graf, in de rots uitgehouwen, was het familiegraf van Jozef van Arimathea (Joh. 19:38). Deze Jozef, een voornaam raadsheer en een vermogend man, was lid van het Sanhedrin, het hoogste joodse gerechtshof, en in 't geheim een discipel van Jezus. Het graf bestond uit twee kamers: de eerste, een soort voorportaal, diende als ontmoetingsplaats voor de rouwdragenden; in de tweede kamer was een bed uit de rots gehouwen, waarop het lichaam gelegd werd. Al ten tijde van Koningin Helena had men het eigenlijke graf van Jezus afgescheiden van de rest van de heuvel. Het graf bestond tot het jaar 1009, waarna het door Kalief Hakem volledig vernietigd werd. Na een verschrikkelijke brand werd het huidige grafmonument in het jaar 1810 op dezelfde plaats herbouwd door de Grieks-orthodoxe en Russisch-orthodoxe Kerk. Binnen het monument bevindt zich een marmeren plaat, die de plaats aangeeft, waar het lichaam van Jezus zou zijn neergelegd. Men gelooft, dat onder deze marmeren plaat zich nog resten bevinden van de echte, oorspronkelijke plaat uit de tijd van de Kruisvaarders.