De kerk

de romaanse middeleeuwen 11e en 12e eeuw

de tijd van de gotiek en steden: 13e en 14e eeuw.

 

Pelgrimages3Ú4

    • relikwie•n (fysiek overblijfsel) van heiligen (wonder)
    • jacobsschelp als symbool
    • plicht van gastvrijheid in kloosters en kerken
    • wonderen: genezing, opstanding
    • doel: vragen om steun bij Heilige en vragen om Voorspraak bij God

     

Kerkgebouwen

    • Timpaan Apocalyps zondeval (schuld) en opstanding (hoop)
    • Narthex
    • Middenschip, zijschip, dwarsschip of transsept
    • Zuilen of peilers, halfzuilen, kapitelen met bloemmotieven of anders
    • Koor (verhoogd, vaak afgescheiden met sierhek)
    • Apsis (ronding aan het achteruiteinde van het koor
    • kooromgang met kapellen (maakt achterste kapellen toegankelijk)
    • altaar (vooraan op het koor), soms ook een hoogaltaar achterin de apsis
    • gebrandschilderde ramen (klein)
    • kaarsen (licht=goddelijk=hoop)
    • graven en tombes van rijke schenkers (soort sponsors) in de kerk= roem en eeuwig zieleheil na de dood
    • tufsteen = oudste hier gebruikte stenen, verder allerlei natuursteen en in het noorden van europa ook baksteen. Steen is duur maar duurzaam ivm het gebruikelijke hout voor woningen in de middeleeuwen.
    • Kloosters van soberheid meestal op platteland, later midden in de steden
    • Romaans: zwaar gebouwd, kleine ramen, dikke muren, weinig versieringen, ronde bogen boven deramen en deuren.
    • Gotisch: rank en hoog, grote glaspartijen, skelet van zuilen, kruisribben, steunberen en luchtbogen dragen het dak. Muur is alleen vulling. Veel versieringen zoals pinakels op de steunberen, traceerwerk voor de ramen en overal spitsbogen. Roosvenster boven ingang. Zeer veel beelden, spuiters, en afbeeldingen in de kerk. Achterin de apsis soms een drieluik met daarboven een beeld van Jezus aan het kruis, of een Maria met kind.
    • Kathedraal = kerk waarin bisschop zetelt, in het centrum van belangrijke steden
    • Elke kerk heeft een heilige als schutspatroon. (=iemand die je behoed voor tegenspoed)
    • Het bouwen was duur en nam veel tijd in beslag. Het werk werd uitgevoerd door groepen ambachtslieden met een specialisme, verenigd in bouwloges. Analoog aan degilden.
    • In Italie hebben gotische kathedralen minder beeldhouwwerk, maar meer frescos

     

Steden

    • komen op in de 13e en 14e eeuw door landbouwoverschotten en toenemende handel.
    • Naast de kathedraal is het stadhuis een belangrijk en duur gebouw, vooral in Italie. De handel kan je vaak terugvinden in de waag op het centrale marktplein of in Italie in het beursgebouw.
    • Alle koopwaar werd lopend met manden, op karren of per schip aangevoerd

     

Klooster

    • refter (eten)
    • dormitorium (slapen),
    • scriptorium (schrijven),
    • bibliotheek (boekenverzameling),
    • kerk of kapel: dienst met gebed, zingen van gregoriaanse psalmen en wisselende liederen; dienst van brood en wijn: eucharistie of avondsmaal viering,
    • dagindeling: getijden
    • oorspronkelijke levenshouding: regel van Benedictus: armoede kuisheid zorg gehoorzaamheid prediking
    • werk: landerijen, hospitaal, armenzorg, onderwijs, bijbelstudie, sommigen werden raadgever van koning, geschiedschrijving, kennisverzameling, maar ook veel ambachten als koken, naaien, timmeren,3Ú4 enzovoort.
    • Ordes: soberheid: minderbroeders, franciscanen (Franciscus van Assisi), dominicanen, cisterzi•nzers (Bernardus van Clairveaux), of rijker: benedictijnen (abt Suger). Voor vrouwen waren er vrouwenkloosters met een abdes aan het hoofd. In de late middeleeuwen waren er duizenden kloosters in allerlei soorten en maten, met ieder een eigen doelgroep.
    • Koor. Koorknapen werden opgeleid in een koorschool om te zingen in de dienst.
    • Wetenschap: uit de geleerden en leraren van kloosters ontstaat de universiteit, want uit de bestudering van het materi•le werd de kennis en het bewijs van God afgeleid. Zo kreeg de menselijke nieuwsgierigheid een godsdienstige legitimatie.

     

Kerkelijk bestuur

    • De kerk heeft een eigen rechtsspraak over zaken die met het geloof samenhangen, met name ketterij werd hevig bestreden
    • Inkomsten kwamen van schenkingen, collectes, producten, aflaten. Vooral tegen deze laatste praktijk kwam in de hele kerkgeschiedenis regelmatig protest. Met een aflaat koop je een zonde af.
    • De paus staat aan het hoofd, met kardinalen als medebestuurders. De kerkprovincies worden geleid door bisschoppen onder een aartsbisschop. In de kleinere kerken werkt een priester. Niet gewijden heten leken.
    • Omdat kerken veel charitatieve werken deden (liefdadigheid) hadden ze ook een behoorlijke vinger in de pap bij het wereldlijke bestuur. Soms was de bisschop stinkrijk en tevens wereldlijk heerser, zoals in Utrecht.
    • Af en toe ging men op kruistocht met velen om de Mohammedanen te bestrijden. Zo kwam men enerzijds in contact met de hoogontwikkelde Arabische wereld, maar anderzijds werd er een spoor van vernielingen achtergelaten. Het was deels een publiciteitsstunt, deels oprecht geloof om het heilige land te bevrijden, deels opportunisme van allerlei individuen.

     

Muziek, dans en drama

    • Mirakel en passiespelen verhoogden de betrokkenheid van het volk dat van de Latijnse mis en bijbel natuurlijk niets begreep. Alle bijbelse verhalen moesten verteld en uitgespeeld3Ú4 worden. Ook waren er vaak processies waarbij ook wagens koneden meerijden, betaald door de gilden, waarop scenes uit de bijbel werden uitgebeeld.
    • In de Notre dame in Parijs ontstond meerstemmigheid die ingewikkelder was dan al wat daarvoor klonk: de oorspronkelijke melodie (cantus firmus) werd begeleid door tegenstemmen (tenor) erboven en eronder die een veel beweeglijker partij had. Daarnaast bleef het eenstemmige Gregoriaans de meest gebruikte zangvorm.
    • In lofzangen klonk Gregoriaans met veel noten en weinig tekst, in andere liederen met veel tekst werd soms gereciteerd (zingen op Z¯Z¯n toonhoogte, of klonk een melodie met Z¯Z¯n noot per lettergreep. Vaak werd ook het principe van voor- en nazingen gebruikt door cantor en koor.
    • Naast de kerkmuziek bestond er ook en traditie van straattoneel, potsenmakers, acrobaten, straatmuzikanten enzovoort. Meestal zwervende lieden met een lage status.
    • De kunstliederen met literaire teksten werden gezongen door geletterde en hoogopgeleide mensen: de troubadours.

     

Schilder- en beeldhouwkunst

    • Een geliefd onderwerp in elke kerk zijn afbeeldingen van de weg die Jezus liep met het kruis. (de kruisstati•n)
    • Er zijn talloze bijbelse onderwerpen om af te beelden, in de middeleeuwen waren vooral geliefd: de annunciatie, de kruisiging, de kruisafname, de opstanding, allerlei heiligen met hun vaste attributen waaraan je ze kon herkennen, de geboorte van Christus en de aanbidding, de madonna met het kind.
    • De Italiaan Giotto was de eerste die waarheidsgetrouw en met enige ruimtelijkheid bijbelse taferelen schilderde.

     

De bijbel

    • In het oude testament staat de geschiedenis van het Joodse volk, te beginnen (1e hoofdstuk heet Genesis), bij Godss schepping en in het nieuwe de vier evangeli•n waarin het leven van Jezus beschreven wordt door Johannus, MatthS¯us, Lucas en Marcus. Ook staat daar wat er aan het einde der tijden gebeurt. (Apocalyps)
    • Kerkelijke vieringen:
      • Advent: vier weken voor de geboorte van Jezus
      • Kerst: geboorte en aanbidding door de vier koningen, kindermoord door Herodes en vlucht naar Egypte
      • Lijdenstijd of passietijd:
        • Palmzondag: intocht in Jeruzalem
        • Witte donderdag: laatste avondmaal, gebed, verraad van Judas en gevangenneming
        • Goede vrijdag: lijden en kruisdood
        • Stille zaterdag: lichaam in het graf, ziel in het paradijs
        • Pasen: opstanding uit de dood
      • Hemelvaart: (40 dagen na pasen) na allerlei verschijningen van Jezus gaat zijn lichaam naar de hemel terug.
      • Pinksteren: (10 dagen na hemelvaart) uitstorting van heilige geest = begin verbreiding van het Christendom door de discipelen