Esthetica


Klassieke oudheid

 

  • Waarde

  • Schoonheid

  • Functie

  • Betekenis

  1. Wat betekenen deze begrippen, en kunnen ze zonder elkaar?

  2. Wat is kunst? Argumenten graag!

  3. Wat is esthetica?

  4. Over welk gebied gaat esthetica?

  • In de 18e eeuw afgesplitst van algemene filosofie door Baumgarten: “ waar idee zintuiglijk wordt, of waar zintuiglijkheid naar idealiteit neigt”

  1. Is dat toevallig in de 18e eeuw?

  • Schoonheid van elk willekeurig ding naar schoonheid in de kunst

  • Esthetica is de filosofie van de kunst.

  • Tot de 20e eeuw vaste regels, daarna worden deze regels ter discussie gesteld.

  1. Geef een voorbeeld van kunst naar oude regels, en een voorbeeld van ontregelende kunst.

 

Schoonheid

  • Esthetica: wat is schoonheid, welke regels?

  • Oude Grieken: harmonie in vorm

  • Idee>zintuiglijk waarneembare>streven naar idealiteit

Plato

  • kopie van de werkelijkheid (mimesis) is nooit volmaakt, slechts in de ideeënwereld is volmaakte, eeuwige en absolute schoonheid. Zoals in wiskundige figuren.

  • Mimesis is verwerpelijk. Rede gaat boven zintuiglijke wereld.

  • Plato houdt niet van kunst van tijdgenoten, maar van oude kunst (Egyptisch, oud-grieks) die meer wiskundig harmonische vormen hebben. Zoals Pythagoras wetten van de ideale getalsverhoudingen. Emoties zijn menselijk en kunnen het moreel ondermijnen, dus verwerpelijk.

  • Alleen het goede kan waar en schoon zijn > moralisme

  1. Kan verdorven kunst, kunst zijn? Geef een voorbeeld.

Aristoteles

  • kunst, hoewel een mimesis, is spiegel waaruit lessen getrokken kunnen worden.

  • Griekse tragedisch kennen wreedheid, maar zijn als een spiegel. Algemeen verloop (wet of regel)

    • expositie (kennismaking, platform)

    • motorisch moment (dramatische ontwikkeling komt op gang)

    • climax (dramatisch hoogtepunt)

    • crisis (onzekerheid)

    • peripetie (handeling gaat in andere richting)

    • catastrofe (afloop)

  1. Moet kunst ergens op lijken?

Stoicijnen

  • Streef naar wat je hebt. Iedereen is gelijk, overgegaan in het Christendom

Middeleeuwen

  • Schoonheid als openbaring van het goddelijke in licht, glans en kleur, geometrische orde.
  • De muzikale begrippen consonant en dissonant; ontwikkelingen in de consonant-dissonant beleving.
  • Volk levendige voorstelling bijbrengen van godsdienstige verhalen.
  • Theorieën voor en tegen het gebruik van beelden.
  • Natuur als boek vol symbolen (goddelijke werking); natuur en goddelijke liefde.
  • Originaliteit is geen maatstaf.
  • Aandachtspunten: Suger, Bernardus van Clairvaux, Franciscus van Assisi.
  • Christelijke kunst mag niet strelen maar moet verwijzen naar het goddelijke, door orde en harmonie.
  • Vervoering niet tot genot maar tot vroomheid, mystiek of onderricht. S
  1. Onderzoek de maatschappelijke positie en de ideeen van de drie geestelijken die hierboven genoemd worden.

  2. Op welke wijze werd het volk de bijbelse verhalen bijgebracht?

  3. Wat is er voor of tegen het gebruik van beelden (afbeeldingen) in de kerk?

  4. Wat is een consonant in de middeleeuwen?

  5. Zoek een middeleeuwse tekst waaruit blijkt dat de natuur goddelijk is

  6. Noem zes zeer verschillende religieuze kunstvoorwerpen in of buiten de kerk. Bespreek een ervan wat gedetailleerder en gebruik daarbij de tekst over esthetica / H2,3

Meer over abt Suger

...........

De Royal Abby Kerk in St. Denis, vlak bij Parijs, is het eerste echte voorbeeld van gotische architectuur. Het herontwerpen van het gebouw was het werk van Sugar, die aan de kerk was verbonden. Sugar heeft het gehele gebouw vernieuwd om de inval van het licht te bevorderen. Lichtinval moest het gebed stimuleren en de atmosfeer verbeteren.

Miniatuur 15x15 mm in bijbel rond 1300, zie voor meer hier

 

Renaissance en barok in de 16e en 17e eeuw

  • Schoonheid als eenheid van delen, maat, verhouding, symmetrie, orde.
  • Klassieke theorieën over schoonheid.
  • Werkelijkheid en ideaal.
  • Ontwikkelingen in de muziek: prima en seconda prattica, akkoordbegrip.
  • Commedia dell'arte: eenheid van persoon en rol.
  • Retorica en affectenleer.
  • Natuur: wetten van de (goddelijke) natuur gezocht, 'schone natuur'.
  • Originaliteit: inventiviteit binnen de bestaande kaders.
  • Aandachtspunten: Plato, Aristoteles, Alberti, Vasari, Bellori.
  • Individualiteitsbesef, prestige van de kunstenaar die schept als god, maar met menselijke beperkingen.

  • Klassieke schoonheid en individuele expressie.

  • Vasari: eerste kunsthistoricus met waardeoordelen en vooruitgangsdenken.

  • Alberti: architect die omgeving en functie mee laat wegen in ontwerpen. (stedebouwkunde)

  • Besef van menselijke eindigheid > protestantisme?

Barok en Classicisme in de 18e eeuw

  • Schoonheid van de zichtbare wereld, naast klassieke theorieën.
  • Protestantse visies op de kunsten.
  • Kennis van menselijke hartstochten.
  • Aristotelische principes in het theater.
  • Natuur: zichtbare (goddelijke) natuur.
  • Originaliteit: inventiviteit én 'blijven bij je stiel'.
  • Aandachtspunten: Descartes, Lebrun ('traité des passions' en andere modellenboeken).
  • Kant

Romantiek en realisme in de 19e eeuw

  • 'Schoonheid' relatiever begrip: afhankelijk van plaats in historisch proces - tijd - plaats.
  • Lyriek en dramatiek.
  • Verhevigde gevoelsuiting.
  • Muzikale principes: absolute muziek tegenover symfonisch gedicht (Hanslick).
  • Interpretaties van het begrip 'natuur': idealistische en 'materialistische' uitgangspunten (ideale natuur; natuur als godsdienst; natuur als materieel feit; natuur als proces).
  • Originaliteit tegenover traditie: je eigen tijd reflecteren; individualisme en idee van de geniale kunstenaar; soms virtuositeit.
  • Aandachtspunten: Carus, Goethe, Baudelaire.

Fragmentatie en constructie in de eerste helft van de 20e eeuw

  • Van het materiële naar het geestelijke: verwerping natuurgetrouwheid; vorm, verhouding (De Stijl).
  • Expressietheorieën; vervreemding; emancipatie van de dissonant (Kandinsky, Brecht).
  • Morele aspecten van verwerpen van decoratie (form follows function; Loos).
  • Definiëren van specifieke grondslagen van elke kunstdiscipline; bij muziek en dans meer op de voorgrond treden van het ritme.
  • Natuur: de structuur achter de zichtbare natuur.
  • Originaliteit: samen met een groep gelijkgestemden het nieuwe brengen.

De tweede helft van de 20e eeuw

  • Geen vaststaande esthetische normen.
  • Herwaardering ornament.
  • Herwaardering verhalende verwijzingen.
  • Complexiteit en tegenspraak (Venturi).
  • Herwaardering figuratie.
  • Cultuurrelativisme.
  • Natuur: natuur en clichés over de natuur.
  • Originaliteit: hoeft niet; clichés en (stijl)citaten mogen.
  • Grensoverschrijdingen van veel kunstdisciplines.