Begrippenlijsten

bron: de Verbeelding VWO

 

A

absolute muziek: muziek die geen verband houdt met een buitenmuzikaal gegeven, zoals literatuur, beeldende kunst, natuur enz. In tegenstelling tot (zie)programmamuziek [h9]

abstracte kunst: kunst waarin het afbeelden of verbeelden van natuurlijk waarneembare voorstellingen geen rol speelt. Vormen, kleuren en lijnen spelen in deze kunstvorm een zelfstandige rol. Ook wel: non-figuratieve kunst. [h11]

academisch ballet: Theaterdans op basis van de (zie)academische danstechniek. [h6]

academische danstechniek: de danstechniek waarvan de basisprincipes voor het eerst werden vastgelegd in de Koninklijke Academie Voor Dans, die Lodewijk XIV in 1661 stichtte. Belangrijkste principes: buitenwaarts draaien van benen en voeten, waarvan ondermeer de vijf klassieke basisposities voor de voeten zijn afgeleid. [h6] In de romantiek verrijking door dansen op de spitzen (pointes-dans), grote zweefsprongen, de lifts (tilwerk) en de duetten. Verschillende stijlen of 'scholen': de Franse, Deense, Italiaanse, Frans-Russische, Engelse en Sovjet­Russische. Onderlinge verschillen in variaties of accenten. [h9]

a capella: onbegeleide koorzang.

aflaat: volgens de katholieke leer moet de mens boeten voor zijn fouten en zonden in het vagevuur. Een aflaat betekent een vermindering van deze straf. Aflaten konden verdiend worden door het ondernemen van pelgrimstochten of het doen van schenkingen aan de kerk. [h2]

allegorie: abstracte begrippen, zoals deugden en ondeugden, worden zichtbaar gemaakt door ze als personen (personificatie) te laten zien of op een andere wijze te verpakken in een voorstelling. De direct herkenbare voorstelling (in een schilderij of op het toneel) is symbolisch voor een niet direct zichtbare inhoud. [h6]

altaar: liturgische offertafel, centrale plaats van de eucharistieviering in de katholieke kerken. [h2]

ambient: muziek waarbij door technische hulpmiddelen een ruimtelijk effect wordt gereikt. De ambient­componisten, waaronder Brian Eno, maken geen songs in de traditionele zin maar sound-environments, ruimte gevuld niet klanken. [h16]

amfitheater: theater of stadion met een ronde of ovaalvormige plattegrond. Rond een speelveld, de arena, zijn de zitplaatsen trapsgewijs aangebracht, zoals bij een tribune. Bouwtype voor het eerst gebouwd door Romeinen. [hl]

annunciatie: letterlijk: aankondiging. Boodschap van aartsengel Gabriël aan Maria dat zij de heilige Geest zal ontvangen en moeder zal worden van Christus. [h3]

apocalyps: laatste Bijbelboek met het visioen van Johannes. Het Laatste Oordeel is een onderdeel van dit visioen en is een bekend thema in de schilder- en beeldhouwkunst [h2]

apsis: overwelfde, halfronde nis of uitbouw waarmee het koor aan de oostzijde van de kerk wordt afgesloten. [h2]

architraaf: horizontale balk die rust op twee zuilen in de klassieke bouwkunst en hiervan afgeleide bouwstijlen. [h1]

arena: betekent oorspronkelijk: zand. Speelveld of vlak omgeven door zitplaatsen in een amfitheater of in een circus. [h1]

aria: een uitgebreide compositie voor solostem met orkestbegeleiding, vaak als onderdeel van een opera of als onderdeel van een oratorium. In een aria ligt de nadruk niet op de verhalende tekst (en het doorlopende verhaal) maar op de melodie en op de virtuositeit van de zanger of zangeres. Ze vormen vaak een hoogtepunt in een operavoorstelling. Komt ook voor als zelfstandige compositie. [h6]

arts & crafts-beweging: om de scheiding tussen ontwerper en arbeider tegen te gaan pleit Morris voor kleinere werkplaatsen, werkgemeenschappen. Kunstenaars en arbeiders kunnen hier samenwerken aan hun producten. Het samengaan van kunst en ambacht[h9]

assemblageschilderij: schilderij dat naast verf bestaat uit allerlei andere materialen die op of aan het platte vlak zijn bevestigd. O.a. bekend van Karel Appel. [h13]

atonaal het ontbreken van een tooncentrum, niet in een bepaalde toonsoort gecomponeerd. De samenhang tussen de melodietoon en de grondtoon van de toonladder, zoals dat volgens de ~ harmonieleer hoort, wordt dus losgelaten. [h11]

attractiemontage: de betekenis van het ene filmbeeld wordt bepaald door de toevoeging van andere beelden die enerzijds niets te maken hebben met het vorige beeld, anderzijds toch het vorige beeld betekenis geeft. [h12]

aulos: blaasinstrument gemaakt van hout, ivoor of metaal en heeft een dubbelriet (als de hobo). Men blies vaak op twee auloi tegelijk. De aulos heeft een schrille, doordringende klank en werd gebruikt bij het zingen van dithyrambische poëzie in de verering van Dionysos. [hl]

automatisme: het maken van een kunstwerk op een zodanige manier dat het bewuste, verstandelijke, zoveel mogelijk is uitgeschakeld ten gunste van het intuïtieve, onbewuste en spontane. Het automatisme leidt bijna altijd tot abstracte kunstwerken. Uitbeelding van (zie)surrealiteit. [h11]

axis mundi: letterlijk: as van de wereld of schepping. Oorsprong, bron of centrum. Het geografische (maar ook symbolische) punt waar alles om draait, bijvoorbeeld het graf van St. Pieter in Rome. [h6]

B

baldakijn: afscherming als 'hemel'dak boven troon, altaar en dergelijke. [h6]

ballade of ballata: in de Middeleeuwen een soort verhalend danslied niet volksliedkarakter, met coupletten en refrein. [h3] Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw een lied op tekst van een literaire ballade, dat wil zeggen een gedicht met een verhalende inhoud. In de (zie) romantiek een instrumentale compositie in een vrije vorm, niet het karakter van een verhalend gedicht.

ballerina en prima ballerina (- assotuta): letterlijk '(eerste) danseres' resp. 'absoluut de eerste danseres'. Ze worden gebruikt voor een danseres die op een voortreffelijke manier of zelfs uitzonderlijke manier zowel technisch als artistiek de zuiver academische dansstijl beheerst (de hogeschool-dans: de vertolkingen van het klassiek-romantische repertoire dienen als toetssteen). De termen houden dus een kwaliteitsoordeel in. [h9]

ballet: dansvoorstelling op muziek. Zelfstandige kunstvorm, maar ook wel als onderdeel van een opera of musical. In het algemeen een dansstuk, dat gemaakt is op basis van de academische danstechniek. [h5]

ballet-blanc: letterlijk: 'wit ballet'. Episode, bedrijf of compleet ballet, vooral in de romantiek, waarin het gaat om sprookjesachtige of bovennatuurlijke vrouwelijke wezens die vaak de indruk wekken te kunnen zweven of vliegen. Kenmerkend is de aankleding met witte of wit schijnende tutu's. In de choreografie ligt de nadruk op het uitbeelden van gevoels- en stemmingsbeelden. [h9]

ballet de cour: letterlijk: hofballet. Decoratief aangekleed ballet met mythologische inhoud, instrumentaal en vocaal begeleid. Vanaf de zestiende eeuw opgevoerd aan het Franse Koninklijke hof. Belangrijke bron voor de Franse opera. [h6]

ballet-komedie: ook wel: comëdie-ballet Blijspel onderbroken door ballet en liederen. Ontstaan aan het hof van Lodewijk XIV door de samenwerking van Molière en Lully. [h6]

ballet-opera: ook wel: tragedie lyrique. Ontwikkeld door Lully aan het hof van Lodewijk XIV door elementen uit de Franse tragedie (theatervorm) te combineren met ballet de cour en de Italiaanse opera. Volgt een vaste indeling waarin na een proloog (met actuele inhoud) gevolgd wordt door vijf bedrijven. De onderwerpen zijn ontleend aan de Grieks-Romeinse mythologie. Dans (divertissements) is een vast onderdeel bij deze operavorm. [h6]

bas-reliëf: een tamelijk vlak beeldhouwwerk waarbij de figuren slechts gedeeltelijk van een achtergrond loskomen. [h7]

basse danse: voorname en statige dans, vooral populair als hofdans in de veertiende en vijftiende eeuw, waarbij voeten schuiven over de grond (basse). [h4]

basso continuo: letterlijk: volgbas, doorlopende bas. Doorlopende basstem als begeleiding van zangers en musici in de zeventiende en achttiende eeuw. Men gebruikt hiervoor een verkorte, soort stenografische notatie, waarbij alleen de baslijn is genoteerd, vaak met cijfers bij de noten, waaruit kan worden afgeleid welke akkoorden de componist bedoelde. Deze begeleiding kan dan met gebruikmaking van de becijfering verder worden uitgewerkt. Ook wel becijferde bas genoemd. [h6]

bedelorde: religieuze (katholieke) orde waarvan de leden leven van giften van de burgerij in ruil voor diensten zoals het geven van onderwijs of het verzorgen van zieken: franciscanen, dominicanen, kapucijnen. [h3]

beiaard ook klokkenspel of carillon: een reeks op toon gestemde klokken. Een beiaard heeft een omvang van tenminste 2,5 octaaf (30 klokken). Het instrument wordt bespeeld door de beiaardier. [h7]

belcanto: letterlijk: schone zang. Lyrische zangstijl met nadruk op klankschoonheid, virtuositeit, volle toon. In het bijzonder in de Italiaanse opera vanaf de zeventiende eeuw. [h10]

biomechanica: door Meyerhold ontwikkelde bewegingsleer voor toneelspelers. Training om het menselijk lichaam op mechanische wijze - als een machine - te kunnen inzetten op het toneel. Het lichaam wordt meer als materiaal gezien dan als een expressief middel. [h12]

blijspel: zie (zie)komedie. [h7]

bouwloge: organisatie van ambachtslieden, architecten en bestuurders bij de middeleeuwse kerkbouw. [h3]

bouworde: vaste maatvoering en decoraties in de klassieke of daarvan afgeleide bouwkunst, te herkennen aan zuilen en kapitelen. De Grieken onderscheiden o.a. de Dorische, Ionische en Corintische (bouw)orde. [hl]

breakdance: acrobatische dansstijl, onderdeel van ~ hiphop-cultuur. [h16]

C

cakewalk: rond de eeuwwisseling ontstane dans onder zwarte Amerikanen, een spottende imitatie op het dansen van de blanken. Snelle en wild uitgevoerde dans in tweedelige maat. [hl l]

camera obscura: lichtdichte doos waarin via een klein gaatje of een lens een beeld op een achterwand wordt gevormd van een object buiten de doos. Het is de voorloper van de fotocamera. [h7]

cantate: zangstuk met instrumentale begeleiding, dat in de regel uit verschillende delen ((zie) recitatieven, (zie) aria's, koren en instrumentale tussenspelen) bestaat. [hl 1]

cantor: in vroeg-christelijke kerk het ambt van liturgische zanger, later leider van het koor en muziekdocent verbonden aan de kerk. [h3]

cantus firmus: een meestal bestaande, aan het ~ gregoriaans ontleende hoofdmelodie die als uitgangspunt gebruikt wordt in de (zie) polyfone compositietechniek. [h3]

centraal perspectief: zie lijnperpectief [h4]

CIAM: Congres Internationaux d'Architecture Moderne. Internationale organisatie voor het opstellen van richtlijnen voor vernieuwing in de architectuur rekening houdend met sociale, economische en technische mogelijkheden. In Nederland ook wel (zie)'Het Nieuwe Bouwen'. [h12]

cisterciënzers: kloosterorde gesticht eind elfde eeuw in Citeaux. Soberheid, in navolging van Christus, is kenmerkend voor leefwijze, (zie) liturgie en de bouwstijl van de orde. [h2]

cliffhanger: onderbroken spanningsboog in (televisie)feuilleton waardoor de kijkers gestimuleerd worden de verdere ontwikkelingen in het feuilleton - na het reclameblok of in de volgende aflevering - ook te bekijken. [h15]

cluniacenzers: kloosterorde gesticht in Cluny. Invloedrijk in de tiende en elfde eeuw. Luxe en rijkdom, ter ere van God, is kenmerkend voor de leefwijze, liturgie en bouwstijl van de orde. [h2]

collegium musicum: een gezelschap van burgers die in besloten kring bijeenkwamen om voor hun eigen genoegen te zingen en te spelen. Vaak onder leiding van een 'meester'. De luit was het meest gebruikte begeleidingsinstrument [h7]

concert: een grote meerdelige compositie voor één of meer solisten met orkest. In een meerkorig concert staan meer, in geluidssterkte gelijke groepen tegenover elkaar. In het concerto grosso staat een solistengroep (concertino, soli) tegenover de grote groep (concerto grosso, tutti, ripieno). Het soto-concert is een compositie waarin een solist begeleid wordt door een orkestraal ensemble. Meestal een betrekkelijk groot werk in drie delen: snel-langzaam-sneL [h8]

consonant: een samenklank die niet om een oplossing vraagt, met als gevolg rust en ontspanning. In tegenstelling tot (zie) dissonant. [hl]

contrapost: een houding waarbij verschillende delen van het lichaam in tegengestelde richtingen gedraaid zijn. Maar in het bijzonder: houding (toegepast in de beeldhouwkunst) waarbij lichaamsgewicht steunt op één been en het andere been vrij staat. Voorbeeld: Davidvan Michelangelo. [h4]

contrareformatie: grote vernieuwingsbeweging sinds het midden van de zestiende eeuw van de roomskatholieke kerk, reactie op de protestantse hervormingsbeweging, op de (zie) reformatie. [h5]

contra-tenor: letterlijk: stem tegenover [contra) de tenor, toegevoegd aan de tenor. [h3] corinthische orde: bouworde toegepast door de Grieken maar vooral populair bij de latere Romeinse bouwkunst. Kenmerkend zijn gladde zuilen, zonder cannalures of groeven, en kapiteeldecoraties gebaseerd op (bereklauw-achtige) bladeren. [hl]

corps de ballet: benaming voor de groep dansers die tijdens dansvoorstellingen geen individuele dansrollen (solo, pas-de-deux) uitvoeren. [h5]

cross-over: het overschrijden van grenzen tussen kunst en populaire cultuur, en tussen verschillende culturen. [h]6]

D

dissonant: een samenklank die 'scherp' klinkt. Er is zoveel spanning tussen de tonen, dat de samenklank om een oplossing vraagt. In tegenstelling tot (zie)consonant. [hl]

dithyrambe: gezongen en gedanst loflied op Dionysos, de god van de extatische bevrijding, de alcoholische roes en de wijn. [hl]

divertissement: letterlijk: vermaak of amusement. Balletintermezzo in opera's. Het doorlopende verhaal wordt onderbroken met - vaak massale - dans. Populair onderdeel van de vroege Franse opera's [h6] Onderdeel van een ballet, vaak als laatste bedrijf om de gelukkige afloop van een handeling te vieren. Komt vooral in de romantiek tot ontwikkeling. Zuivere dans met een opgewekt en virtuoos karakter. Amusementswaarde choreograaf staat voorop, niet het uitbeelden van de handeling. Verschillende dansen in divertissement vaak aangeduid met (zie)'pas de ..: [h9]

dixieland: vroege imitatie van de New-Orleansjazz door blanke musici. Dixieland was de negentiendeeeuwse benaming voor de zuidelijke staten van Amerika. Men liet zich vooral inspireren door de (zie)ragtime en de muziek van de marching bands (in die tijd door negers gevormde blaaskapellen). Na een periode van inzinking vindt aan het eind van de jaren veertig een grote opleving plaats. [hij]

dorische orde: een van de oudste en meest voorkomende bouworden in de Griekse bouwkunst en hiervan afgeleidde bouwkunst. Kenmerkt zich door zware zuilen met cannalures (verticale holle profielen) en een eenvoudig kapiteel zonder decoraties. [hl]

dormitorium: slaapzaal in een klooster. [h2]

drogenaald-techniek: een diepdruktechniek waarbij met een scherpe naald direct op een plaat (koper of zink) wordt getekend. Langs de lijn ontstaat bij het krassen een opstaande braam. Bij het ininkten van de plaat ontstaat er een fluwelige diep-zwarte toon. Kunstenaar: Rembrandt. [h7]

dwarsschip: ook transept: dwars op de lengte-as geplaatst gedeelte van de kerk. Het kruispunt van het midden en dwarsschip heet de viering. [h2]

E

eenakter: toneelstuk in één bedrijf, waarin de opbouw rechtlijniger en compacter is dan in een stuk met meer bedrijven. [h13]

emblemata: drieledige voorstelling, bestaande uit een afbeelding, spreuk en onder- of bijschrift. Kunstenaar: Jacob Cats. [h71

episch theater: theatervorm, die in de jaren twintig in Duitsland ontstond met een duidelijke politiek-maatschappelijke achtergrond. Spreekt eerder het verstand dan het gevoel van de toeschouwer aan. [h12]

epos: heldendicht. [hl]

etstechniek: diepdruktechniek waarbij een voorstelling in lijn of structuur door middel van zuur gebeten wordt in een metalen plaat (koper of zink). De etstechniek kan in combinatie gebruikt worden met de (zie) droge-naaldtechniek. Kunstenaar: Rembrandt. [h7]

evangelisten: schrijvers van de vier evangeliën [leven van Christus, Nieuwe Testament). Twee evangelisten, Johannes en Mattheus, behoren ook tot de apostelen. Sinds de Middeleeuwen worden de evangelisten afgebeeld door middel van symbolen: de engel of mens (Mattheus), leeuw (Marcus), stier (Lucas) en adelaar (Johannes). [h2]

exotisme: voorkeur voor het verre en vreemde. Vreemde idiomen werden graag gebruikt voor schilderachtige en kleurrijke effecten, zowel in de muziek als in de beeldende kunst. [h9]

expositie: in de expositie in de muziek worden twee contrasterende thema's in contrasterende toonsoort ten gehore gebracht. [h8]

F

figuurdansen: dansen waarbij de (horizontale) patronen (figuren) die de groep dansers samen vormen, een belangrijk onderdeel zijn. Alleen interessant wanneer dans van bovenaf wordt bekeken, zoals tot de zeventiende eeuw aan de hoven in Italië en Frankrijk. [h5]

follies: functieloze bouwsels en ruïnes in een landschapstuin. [h9]

fonograaf: toestel om geluiden op te nemen met behulp van een wasrol. [h]2]

format: vaststaande formule of schema waarmee binnen een televisie of radioserie een eenheid ontstaat. Een (zie)soap, bijvoorbeeld, heeft een format waarbinnen elke aflevering de inhoud varieert. [h15] fresco: muur of plafondschildering op een vers aangebrachte vochtige kalkondergrond niet behulp van met water aangemaakte pigmenten. [h3]

fysiek theater: theatervorm waarin lichaamstaal en mime een belangrijke rol spelen. [h14]

G

gebrandschilderd raam: kunstvorm waarbij voorstellingen worden samengesteld uit stukken gekleurd glas

die met elkaar worden verbonden door loodlijsten. Het gekleurde glas wordt beschilderd met email. [h3]

genre: type schilderij. De volgende genres worden onderscheiden: genrestuk, portret, stilleven, landschap en historiestuk. [h7]

genrestuk: een schilderij met een al dan niet gefantaseerd tafereel uit het dagelijks leven. Drank en feesten of huiselijke bezigheden vormen het onderwerp. De afgebeelde personen zijn meestal niet-bestaand. Het genrestuk herbergt vaak een verborgen boodschap met betrekking tot de moraal. [h7]

geprepareerde piano: piano waarbij aan de snaren allerlei voorwerpen zijn bevestigd (pingpongballetjes, kettinkjes etc.) die de klank beïnvloeden. Hierdoor gaat het toeval een grote rol spelen, omdat geen enkele aanslag meer gelijk klinkt. [h14]

gesamtkunstwerk: opera als een drama met een betekenisvolle inhoud, waarbij woorden, (zie) mise-en­scène, handeling en muziek in volmaakte harmonie het centrale dramatische doel dienen. Componist: Wagner. [h9]

getijden: officiële gebeden van de katholieke kerk die op vaste tijden de dag vullen. [h2] gewelf: gebogen bovenste afsluiting van een ruimte; wordt meestal geconstrueerd uit stenen die zijdelings tegen elkaar steunen. [h3]

gezelschapsdans: het publiek danst. Verzamelnaam voor alle populaire dansen die niet vallen onder het begrip theaterdans. [h15]

gospel: letterlijk: evangelie. Religieus lied van de protestante zwarte Amerikaanse bevolking waarin het evangelie wordt bezongen. Meestal blijmoedig van karakter met afwisseling van solo- en koorzang. [hl l/12]

grahamdans: inmiddels traditionele moderne danstechniek, ontwikkeld door Martha Graham voor haar (zie)expressionistische en dramatische dans, gebaseerd op de tegenstelling contraction-release. [hl]]

grand-opéra: ernstige, grote opera, doorgecomponeerd met (zie) recitatieven (i.p.v. gesproken dialogen) en muzieknummers. Thema niet meer uit de oudheid, maar uit de Middeleeuwen en de moderne tijd. Ook de manier van uitbeelden is 4 romantisch: kleurig, sprookjesachtig, prachtig, volks, nationalistisch. [h9]

Grieks kruis: zie kruis. [h5]

groote tour: langdurige reis van welgestelde jongeren naar Italië ter bestudering van de klassieke kunsten. [h7]

groove: repeterende basis door bas en drums bij dansbare muziek (zie) funk. [h15]

H

halfzuil of schalk: halve zuil die tegen een dragende pijler of muur is aangebouwd, half verzonken in muurvlak en wordt voortgezet in de ribben van het gewelf. Voornamelijk decoratieve functie. [hl]

handelingsballet: verhalend balletgenre, dat als opvolger van de (zie) ballet-opera en voorloper van het -j romantische ballet, opkomt in de achttiende eeuw. Hierbij werd voor het eerst het hele verhaal uitgebeeld door dans en (zie)(panto)mime zonder hulp van zang en voordracht, wat wel gebruikelijk was bij de eerdere hofballetten en ballet-opera's. [h8]

happening: letterlijk: gebeurtenis. Een kunstzinnige/politieke actie in de openbare ruimte waarin het (toevallige) publiek vaak een actieve rol speelt vooral in de jaren zestig. [h14] harmonieleer: leer van de klankrelaties in de tonale muziek. [hl l]

high and tow: een begrippenpaar dat de invloed van populaire en triviale cultuur (low art) op de moderne kunst (high art) omschrijft. [h15/16]

historiestuk: een schilderij waarop een verhaal of gebeurtenis uit de klassieke oudheid, de bijbel of de geschiedenis is afgebeeld. [h7]

homofonie: een stem heeft de melodie, de andere stemmen zijn slechts harmonische begeleiding. Tegengesteld aan polyfonie.

hoofse liefde: benaming voor de cultus ontstaan in het Frankrijk van de late Middeleeuwen waarin de (onbereikbare) vrouw wordt aanbeden en bezongen. [h3]

hoorspel: tot de komst van de televisie een populaire vorm van radio. Voorloper van comedy en (zie) soaps op televisie. De rollen worden in de studio ingesproken. Speciale geluidseffecten verhogen de spanning. [h15]

houtgravure: vorm van hoogdruk waarbij met een burijn een tekening wordt uitgesneden uit de kopse, dwarsgezaagde, kant van hard hout. De niet weggestoken delen worden ingerold met inkt en op papier afgedrukt [h5]

houtsnede: vorm van hoogdruk waarbij met gutsen een voorstelling wordt uitgesneden uit langshout (gezaagd volgens de lengtedoorsneden, zoals planken) van zachte houtsoorten. De niet weggestoken delen worden ingerold niet inkt en op papier worden afgedrukt. Door het zachte materiaal is de deze grafische techniek minder verfijnd dan de koper- of houtgravure. [h5]

I

installatie een kunstwerk waarbij de ruimte waarin tentoongesteld wordt bij het kunstwerk betrokken is. [h16]

intermedio: ook wel intermezzo. Letterlijk: tussendoor. Oorspronkelijk kort tussenspel tussen de bedrijven van een toneelstuk door. In Renaissance groeien de intermedi tot muziek-, dans- en zangspektakels waarvan de inhoud (nog steeds) los staat van het toneelspel dat hiermee onderbroken wordt. [h5] Vanaf de negentiende eeuw heten de instrumentale tussenspelen in een opera intermezzo. Tegenwoordig wordt de naam ook gebruikt voor korte zelfstandige (instrumentale) muziekstukken.

ionische orde: bouworde toegepast door de Grieken en daarvan afgeleide bouwkunst. Kenmerkend zijn slanke sierlijke zuilen en een kapiteel met aan twee kanten spiraalvormige decoraties. [h1]

J

jumpcut-montage: montagevorm waarbij de beelden zo achter elkaar geplaatst worden dat voorwerpen of personen van plaats lijken te verspringen. Het geeft een vervreemdend effect omdat de toeschouwer zich bewust wordt van de montage. [h13]

K

kapel: deel van de kerk, toegevoegd aan kooromgang of zijbeuken, gewijd aan een heilige of ter nagedachtenis aan een bepaald persoon. [h2]

kapelmeester: leider van een kapel, dirigent. [h3]

kapiteel: kopstuk van een zuil, pijler of pilaster. De verbreding van de zuil door het kapiteel heeft als functie het dragen van dwarsbalken of architraven. [h1] Aan de kapitelen kunnen we de bouworde herkennen. [h2]

kathedraal: kerk van de bisschopzetel. [h3]

klassieke pas-de-deux: virtuoos hoogtepunt in een klassiek-romantisch ballet en in het bijzonder in een (zie) divertissement Het gaat dan om een duet, van de belangrijkste soliste en haar partner, in een vaste volgorde: entree (opkomst) en adagio van beiden, een of meer variaties voor elk afzonderlijk (te beginnen met de man) en coda (afsluiting door beiden samen). [h9]

klavier: liet toetsenbord van toetsinstrumenten, voorbeelden: piano, klavecimbel, (zie) beiaard. [h7]

klucht: komisch toneelstuk over 'het dagelijks leven'. Het verhaal en de gesproken taal zijn vaak grof en volks (zie Bredere). [[17]

komedie: ook wel (zie) blijspel: vorm van het drama dat zich vooral van de tragedie onderscheidt door een andere kijk op mens en wereld, door een zekere toegeeflijke glimlach. Kenmerken: een lichtere intrige, een oppervlakkige karaktertekening en een goede afloop. [hl]

koor: in kerkelijke bouwkunst de benaming voor de ruimte tussen de viering en de apsis. Hier vindt de christelijke liturgie plaats en staat het altaar. [h2]

kooromgang: een rond liet koor lopende gang in het verlengde van de zijbeuken. Langs de gang treffen we vaak straalkapellen aan. Vooral te vinden in bedevaartskerken.[h2]

kopergravure: vorm van hoogdruk, waarbij tekening met een burijn wordt uitgestoken uit een koperen plaat. De niet weggestoken delen worden ingerold met inkt en op papier afgedrukt. [h5]

kruis: kruisvormen komen als symbool of ornament in verschillende culturen voor. Plattegronden van kerken zijn vaak gebaseerd op kruisvormen, zoals het Latijnse kruis, afgeleid van liet kruis waaraan Christus is gestorven met een lengte-en dwarsarm van verschil lende lengte of het Griekse kruis met vier gelijke armen. [h3]

L

landschap: (genre) schilderij waarop een natuurlandschap, stadslandschap of zeelandschap is afgebeeld. Het landschap is een zeventiende-eeuws Nederlands specialisme. [h7]

lantaarn: in de architectuur: een veelhoekig of rond torentje, met vensters, ter bekroning van een dak of koepel. [h4]

latijns kruis: zie: kruis. [h3]

leidmotief: een motief of thema die binnen het kader van een compositie kenmerkend is voor een persoon, een zaak of een gebeurtenis. Dit motief komt telkens voorbij als die persoon, zaak of gebeurtenis tevoorschijn komt. Komt veel voor in (zie) opera. Komt voor het eerst voor in een beschouwing over Wagner (1867). [h9]

libretto: tekst van een opera, operette, oratorium, cantate of musical, het tekstboek.[[19]

lied: muzikale zetting van een gedicht of prozastuk. leder tekstcouplet kan op dezelfde melodie gezongen worden (strofisch lied) of een andere melodische vorm hebben (doorgecomponeerd lied). In de negentiende eeuw vindt de ontwikkeling plaats van het kunstlied. Deze composities gaan uit van de inhoud en de toon van een gedicht. De pianobegeleiding wordt een wezenlijk bestanddeel van het lied. [h9]

liederencyclus: een reeks (zie) liederen op een centraal thema. O.a. Schubert. [h9]

lier: snaarinstrument bestaande uit een schild (schildpad) met geitenhoorns, een dwarsjuk en 5 tot 7 snaren. Solo-instrument en begeleidingsinstrument bij het zingen of voordragen van epische poëzie. Behoort tot de Apollo-cultus. [hl]

Lijnperspectief of centraal perspectief: wetmatige aanduiding van de ruimte, waarbij de regelmatige verkleining naar een verdwijnpunt op de horizon uitgangspunt is. Toegepast vanaf de Renaissance. [h3] lijsttoneel: naam voor het traditionele theaterspel waarbij een duidelijke scheiding bestaat tussen het publiek in de zaal en de spelers op het toneel. Deze scheiding wordt gesymboliseerd door het doek en de lijst, waardoor het lijkt alsof je kijkt naar een levend schilderij. [h12]

lineair: begrip uit de schilder- en tekenkunst om een nauwkeurige maar ook wat onpersoonlijke hanteringwijze van materialen en technieken aan te duiden. [h6] Liturgie: het geheel van voorschriften en ceremonieën voor inrichting van de eredienst; de gebeden en zangen van de dienst. In de Middeleeuwen geheel gezongen. [h2]

liturgisch drama: uitbreiding van de liturgie met dialogen en andere theatrale middelen. [h3]

loop: een kort fragment van een film- of geluidsband dat oneindig herhaald kan worden omdat begin en eind aan elkaar 'geplakt' zijn. (Engelstalig begrip: dus niet als ' loop' maar als 'loep' uitspreken). [h16]

luchtboog: constructie in de vorm van een boog of een halve boog met de bedoeling de druk van gewelven en kapconstructie naar buiten af te leiden. [h3]

M

madrigaal: vocale compositie op wereldlijke tekst, meestal over de liefde, met (zie) polyfone en (zie) homofone passages. Geschreven in de landstaal, vooral Italiaans en Engels. Vaak (zie)a-capella gezongen. [h3

martelaar: iemand die geleden heeft omwille van het geloof. Ten tijde van de christenvervolgingen in het Romeinse Rijk was dit een eretitel. [h3]

mc: master of ceremony. Moedigt het publiek aan om te dansen. [h16]

mecenas: begunstiger van wetenschappers of kunstenaars, bijvoorbeeld de leden van de familie De Medici in Florence in de veertiende eeuw. [h4]

melodrama: aanduiding van een gesproken tekst m muzikale begeleiding. Ook, onder invloed van het huiveringwekkend effect door muzikale illustratie van gruwelijke gebeurtenissen op het toneel, benaming voor een soort toneelstuk dat in het Nederlands afkeurend draak wordt genoemd: een drama niet schokkende gebeurtenissen en met een voor de dappere held en achtervolgde onschuld gelukkig einde. [h9] Overdreven sentimentele inhoud voor theaterstuk of film. [h15]

menuet: van oorsprong Franse reidans; matig tempo maat; ABA-vorrn; vaak het derde deel van een symfonie. [h8]

middenschip: gedeelte van de kerk waar de gemeen te zich verzamelt, geflankeerd door de zijbeuken. [h2

miniatuur: oorspronkelijk schildering met omtrekslijnen aangegeven in rode verfstof (Lat.: minium). Illustratie in handschriften. Ook wel gebruikt als term voor een klein schilderijtje. [h2]

minnesänger: benaming in Duitsland, ontstaan in d twaalfde en dertiende eeuw voor zangers en muzikanten aan het hof die vooral de hoofse liefde bezingen, (zie) troubadours. [h3]

mirakelspel: middeleeuws theatergenre verwant me het liturgisch drama. Menselijke drama's krijgen een ontknoping door tussenkomst van Maria of andere heiligen. [h3]

mise-en-scène: de wijze waarop het verhaal in het theater en voor de camera (dus niet door de camera wordt vormgegeven door acteurs, decors, rekwisieten en andere enscenering zoals belichting en geluiden. [h 15]

mis: hoogtepunt van de liturgie waarin het offer van Christus wordt herdacht of een meerstemmige compositie op teksten van de mis. [h3]

mixed media: het gebruikmaken van verschillende media, materialen en technieken bij de samenstelling van een kunstwerk. [h16]

monodie: éénstemmige zang waarbij de tekst duidelijk en op een vertellende manier (declamatorisch) gezongen wordt, begeleid door een doorlopende baspartij. [h6]

moresque: snelle beweeglijke dans in twee- of driedelige rnaat Oorspronkelijk een zwaarddans. De mannelijke dansers zijn vaak verkleed als Moren, niet belletjes aan het kostuum, zoals Zwarte Piet (als type ook afgeleid van de Moren). Populaire volksdans van vijftiende tot achttiende eeuw. [h4]

motet: vocale compositie op vooral geestelijke tekst, vaak 4 polyfoon, (zie)a-capella. [h3]

multimedia: het gebruikmaken van verschillende technische mogelijkheden, waaronder computertechnieken, om beeld en geluid een rol te laten spelen in een kunstwerk. Vergelijkbaar met (zie)'mixed media' met dat verschil dat met het woord 'multimedia' doorgaans de digitale media worden bedoeld. [h16]

musica humana: de muziek van de mens: met de menselijke stem voortgebracht. [h3]

musical: muzikaal theaterspektakel waarin zang, muziek, dans en toneelspel wordt gecombineerd. Met veel show en entertainment richt de musical zich op een groot publiek. [h15]

musica mundana: hemelse muziek die een afspiegeling is van wetmatige verhoudingen en bewegingen in de kosmos of de schepping. [h3]

music-halt: variété-theater. Ontstaan vanuit kroegen en café werden in Engeland in de tweede helft van de negentiende eeuw in alle grote steden music-halls gebouwd. In vergelijking met de operahuizen en theaters heerst in de music-halls een ongedwongen sfeer. Op het podium wisselden komische acts, pantomime en cabareteske zangnummers elkaar snel af (vandaar 'gevarieerd theater'). De bloeitijd van de rnusic-halls, vooral in de Verenigde Staten en Frankrijk, aan het begin van de twintigste eeuw, kwam ten einde na de komst van de geluidsfilm. [h] l]

muzak: benaming voor muziek uitsluitend bedoeld om te dienen als achtergrondmuziek in bijvoorbeeld een restaurant of winkelcentrum. Het woord wordt bijna uitsluitend in denigrerende zin gebruikt. [h16]

muze: benaming van de Griekse godinnen van de kunsten en wetenschappen: Clio (geschiedenis), Euterpe (lierdichter), Thalia (blijspel), Melpomene (treurspel), Terpsichore (dans en koorzang), Erato (minnedicht en mimiek), Polyhymnia (hymnen), Calliope (heldendicht), Urania (sterrenkunde). [hl]

muziekdrama: opera waarin dramatische betekenis en muzikale verschijning versmelten. Doorgecomponeerd: volgorde scènes en tekst zijn fundament van een voortdurende muziek met een 'oneindige melodie', tekstdeclamatie 'Sprechgesang', leidmotieven, een klankkleurrijk gebruik van het orkest, expressieve, zeer chromatische harmoniek. Componist: Wagner. [h9J

N

narthex: portaal of voorhal van een kerk. [h2]

net-art: interactieve kunstwerken in de vorm van websites op internet. [h16]

O

opera: muzikaal drama voor zangstemmen en orkest waarbij de muziek zeker zo belangrijk is als de tekst. Zang, instrumentale muziek, dichtkunst, acteerkunst, decorkunst, vaak ook danskunst vormen de wezenlijke bestanddelen van de opera. [h5]

opera buffa: komische opera. Avondvullend, bestemd voor de burgerij, vrolijk, tegenpool van de opera seria. Met de volkse thematiek van de (zie) commedia dell'arte. Gebruikt de taal van alledag, dialecten, flarden vreemde talen, citaten, parodieën, niezen, geeuwen en stotteren. [h8]

operette: een luchtig theaterwerk met zang, dans en gesproken dialoog. Ontstaan in Frankrijk in de negentiende eeuw uit de (zie) opera comique. De operette heeft soms een spottend karakter. De melodieën liggen gemakkelijk in het gehoor. [h10]

orchestra: ronde open plaats voor het podium in een Grieks theater waar het koor zingt en danst. [hl]

ostinato: een ritmische of melodische figuur die voortdurend herhaald wordt in een muziekstuk. Een zich herhalende baspartij, zowel bekend in de klassieke als in de populaire muziek, heet basso ostinato. [h11]

overacting: door overdrijving en uitvergroting een toneelrol spelen. Kenmerkend voor de (zie) stomme films waarin de acteur geen gebruik kan maken van het gesproken woord om zijn rol neer te zetten. [h15]

ouverture: letterlijk: opening. Instrumentale inleiding van cantate, oratoriurn, opera, suite. [h6]

over-all compositie: begrip uit de schilderkunst voor een doek dat bijna geheel beschilderd is, maar waar geen enkele compositorische richting dominant is. [1113]

P

pantomime: uitbeelden van een dramatische handeling uitsluitend door gebaren en mimiek, veelal ondersteund door muziek en vaak gecombineerd met dans en ballet (zeventiende en negentiende eeuw). [hl]

passiespel: spel, vooral in de late Middeleeuwen en vroege Renaissance, waarin het lijden van Christus het hoofdthema is, voortzetting in de volkstaal van de paas-liturgie. [h3]

patroonheilige: begrip binnen de katholieke kerk. Heilige van wie men bij het doopsel de naam ontvangt, ook wel doopheilige genoemd. Ook (beroeps)verenigingen kunnen hun eigen patroonheilige hebben, zo is de evangelist Lucas de patroonheilige van de (kunst)schilders en is het St. Lucasgilde een gilde voor kunstschilders. [h6]

pelgrimage: bedevaart. Tocht naar plaatsen waar heiligen worden vereerd of waar het goddelijke zich heeft geopenbaard. Het ondernemen van een pelgrimstocht is vaak een vorm van boetedoening: door de - vaak moeizame - tocht te ondernemen en bij het heiligdom te bidden, worden zonden vergeven.

performance: handeling/actie van een kunstenaar in het bijzijn van het publiek, waarbij vooraf een concept is bedacht. Meestal is de handeling niet verhalend en kan het publiek in en uit lopen. De handeling is vaak eenvoudig, maar de betekenis complex. Kunstenaars: Joseph Beuys, Ulay & Abramovic. [h14] De eerste performances vonden plaats in de jaren zestig. [h15/16]

photoshop: computerprogramma dat de bewerking van beeldmateriaal mogelijk maakt. [hl5/16]

picturaal: begrip uit de schilder- en tekenkunst orr een losse vrije hantering van materialen en techniek aan te geven. [h6]

pijler: kolom. Al naar gelang de positie en type van de pijler wordt onder meer een onderscheid gemaakt tussen muurpijlers (pilasters) hoekpijlers en dubbel( pijlers. [h2]

pilaster: platte decoratieve toevoeging aan muurvlak ontleend aan de vorm van een zuil. [h1] Zuilvorm opgenomen in de muur, waaruit hij iets naar voren steekt. (zie) halfzuil. [h5]

pinakels: versierd element in de gotische architectuur in de vorm van een smalle, met een piramide bekroonde de schacht. [h3]

pixels: stippen die op een beeldscherm of in drukwerk samen de voor het oog zichtbare letters, vlakke enz. vormen. De dichtheid van het stippenraster bepaalt de scherpte van het beeld. [h16]

polyfonie: letterlijk: meerstemmigheid. Meerstemmige compositietechniek waarbij elke stem zich zelfstandig voortbeweegt en dus een zelfstandige melodie vormt. De harmonie is ondergeschikt aan het verloop van de stemmen. [h3]

pre-fab: afkorting voor geprefabriceerd. Term die vaak wordt gebruikt in verband met het gebruiken van geprefabriceerde onderdelen in de bouw. [h]2]

prima ballerina: (zie)ballerina. [h9]

programmamuziek: instrumentale muziek met een buitenmuzikale inhoud (bijvoorbeeld een gedicht of verhaal), die door een titel of een programma wordt meegedeeld. De inhoud bestaat bij voorkeur uit een opeenvolging van handelingen, situaties, beelden of gedachten, die de fantasie van de componist prikkele en de luisteraar in een bepaalde richting leiden. [h9]

proloog: letterlijk: voorrede. In de klassieke tragedie gaat de proloog vooraf aan de eigenlijke vertelling van de tragedie. De inhoud van de proloog staat veelal los van de inhoud van de tragedie. Benaming wordt ook gebruikt in van tragedie afgeleide opera's. [h6]

psalm: lied opgenomen in het Oude Testament (150 liederen van de Israëlieten) en/of zoals het vertaald en berijmd wordt gezongen in de christelijke kerk. [h2]

R

raamvertelling: een verhaal dat dient ter omlijsting van andere verhalen. Een verhaal binnen een verhaal. [hl 3]

ragtime: gecomponeerde pianomuziek met in het ritme verrassende en afwijkende accenten. Een strak metrum in de begeleiding, de melodie speelt hiertegen in. 'Ragged time' betekent 'verscheurde maat'. [h11]

rap: ritmisch op een bepaalde vaste beat vertellen van een verhaal, meestal op rijm. Speelt in de hele geschiedenis van de Afro-Amerikaanse muziek een rol. Sinds de tweede helft van de jaren zeventig nauw verbonden aan de cultuur van de zwarte wijken in de VS. Onderdeel van hiphop. [h16]

reality-soap: reeks televisieprogramma's waarin, vergelijkbaar met de (zie) soap, een verhaal zich in de loop van een reeks dagelijkse of wekelijkse uitzendingen voltrekt. De inhoud is niet verzonnen, maar wordt bepaald door werkelijke gebeurtenissen. In Nederland bijvoorbeeld 'Big Brother'. [h] 6]

recitatief: declamatorisch gezang. Onderdeel van een opera of oratorium waarin de solist een verhaal vertelt (reciteren betekent voorlezen). De melodie is sober, met weinig toonhoogteverschillen en kleine intervallen. De begeleiding bestaat uit ondersteunende harmonieën op de belangrijkste woorden. [h6]

rederijkers: beoefenaars van de toneelspeelkunst. De rederijkers verenigden zich in een rederijkerskamer. Meestal waren het gegoede burgers met een klassieke opleiding (zie toneel, Nederland zeventiende eeuw). [h7]

reformatie: hervormingsbeweging in de zestiende eeuw binnen de christelijke kerk die uiteindelijk leidt tot het ontstaan van het protestantisme. Onder aanvoering van Luther werd de kerk in zijn 95 stellingen aangeklaagd. Hij wil de kerk zuiveren van de misstanden die er langzamerhand zijn ontstaan. [h5]

retabel: geschilderd of gebeeldhouwd veelluik als achterwand voor een altaar. [h4]

roadmovie: film die zich grotendeels 'on the road' (op de weg of onderweg) afspeelt. Het reizen loopt vaak parallel aan de ontwikkeling van het verhaal. [h] 6]

roosvenster: rond venster in west- of transeptportaal vaak voorzien van gebrandschilderde ramen. [h3]

S

saltarello: oude Italiaanse springdans in 3/8 of 6/8 maat, populair in Frankrijk zestiende eeuw. [h4]

sample: in de popmuziek: geluidsfragmenten verzameld en opgeslagen op band of schijf voor hergebruik in bijvoorbeeld een remix. [h16]

satire: in de klassieke periode tot ontwikkeling gekomen theatervorm waarbij de spot wordt gedreven met actuele alledaagse gebeurtenissen en personen. Niet altijd te onderscheiden van (zie)komedie.

scaena: klein bouwwerk ter afsluiting van het toneel in de Griekse openluchttheaters. [hl]

schenker: persoon die financieel heeft bijgedragen aan het tot stand komen van een kunstwerk, monument of bouwwerk. Afbeeldingen van schenkers zijn vaak te zien op retabels of wandschilderingen in de veertiende t/m zestiende eeuw. [h4]

scratching: techniek waarbij door het snel met de hand heen en weer draaien van een grammofoonplaat ultrakorte stukjes van deze plaat kunnen worden toegevoegd aan de muziek die op dat moment op het podium wordt gespeeld. De oude grammofoon wordt dus als een soort slaginstrument gebruikt. Vooral bekend als onderdeel van hiphop en rap. [h]6]

scriptorium: schrijfkamer, ruimte waar boeken worden gekopieerd in het klooster. [h2]

seriestamboom: schema waarin onderlinge verhoudingen tussen verschillende rollen in een televisieserie zijn vastgelegd. Handig voor zowel de makers als de kijkers van o.a. (zie) soaps. [h]5]

skeletbouw: constructiewijze waarbij alle dragende functies op een geraamte worden overgedragen. [h3]

soap: ook wel: soap-opera. Televisiefeuilleton waarin ontwikkelingen eindeloos voortkabbelen. In tegenstelling tot comedy-series worden verhalen niet binnen één aflevering afgerond. Een snap moet je volgen van dag tot dag. De naam is ontleend aan zeep(fabrikanten) die de soapafleveringen onderbreken met hun reclameblokken. [h15]

solmisatie: in de muziek toegepast hulpmiddel waarbij melodieën op de lettergrepen do-re-mi-fa-sol-la-si (ti) worden gezongen. De lettergrepen geven een relatieve toonhoogte aan. [h2]

sonatevorm, ook hoofdvorm: de vorm waarin meestal het eerste deel van een sonate, (zie) symfonie (zie) concert, enz. is geschreven.

In een (zie) expositie worden twee contrasterende thema's in contrasterende toonsoort ten gehore gebracht; in de doorwerking speelt de componist met deze thema's of voegt nieuw materiaal toe; in de reprise worden de eerste twee thema's in dezelfde toonsoort herhaald. [h8]

spielatten: houten raamwerk waarover het beschilderde of te beschilderen doek is gespannen. [h] 4]

spiritual: geestelijk lied van de zwarte Amerikaanse bevolking. Ontstaan in de negentiende eeuw op de plantages waar de zwarten als slaven werkten en beïnvloed door de psalmen van de blanke bevolking. In vergelijking met de (zie) gospels: ernstiger van toon en inhoud. [hl l]

spitsbogen: boog gevormd door twee elkaar snijdende cirkelsegmenten met gelijke straal: kenmerk van de gotiek. (h3]

staatsieportret: officiële portretten van machthebbers. In traditionele staatsieportretten wordt de machthebber omgeven en aangekleed met de symbolen van zijn macht zoals een kroon, een scepter, enz. [h6]

Stanislavsky-methode: methode, ontwikkeld door Stanislavsky, die acteurs stimuleert zich volledig te vereenzelvigen met hun rol. Ontwikkeld om meer naturalisme en psychologische diepgang van de personages op het podium te bereiken. Na de Tweede Wereldoorlog in Amerika populair geworden in de Actors' studio, waar veel filmacteurs zijn opgeleid. Ook bekend als The Method [M2] stilleven: (genre) schilderij waarop levenloze of dode voorwerpen op een bepaalde wijze gerangschikt zijn afgebeeld. [h7]

stomme film: film zonder direct opgenomen geluid. De eerste films werden bij vertoning vaak begeleid door live-muziek of een verteller. [h12] straalkapel: kapel aan de kooromgang. [h3]

stucwerk: ruimtelijke decoratieve toevoegingen in architectuur, gemaakt van een mengsel bestaande uit o.a. gips, lijm, kalk en zand. Vaak toegepast als imitatie voor duurdere materialen (bijvoorbeeld marmer). [h8]

subculturen: culturen die naast de algemene cultuur bestaan. Groepen met eigen en afwijkende nonnen, waarden en doelen. [h16]

suspense: opbouw van spanning. De term wordt vooral gebruikt in de filmwereld, waarbij Alfred Hitchcock als 'master of suspense' niet ongenoemd mag blijven. [h15]

symfonie: groot werk voor symfonieorkest in meestal vier delen: snel, langzaam, (matig) snel, snel. Het eerste deel heeft meestal als structuur de sonatevorm. Het tweede deel is vaak een langzaam deel. Het derde deel is meestal een (zie)menuet, later een scherzo. Het vierde deel is vaak een rondo. [h8]

symfonisch gedicht: een in de negentiende eeuw ontwikkelde eendelige programmatische compositie voor orkest (soms met solo-instrument), waaraan een verhaal, schilderij of gedicht ten grondslag ligt. [h9]

T

tabla: trom uit India. Bestaat uit een cilindervormige en een conische trom, die elk verschillend gestemd zijn. Tabla wordt vaak gebruikt om de sitar te begeleiden. [h] 6]

tableau vivant: levend schilderij, bestaande uit één of meerdere stilstaande personen. [h4] Bewegingloze voorstellingen door mensen waarin een verhaal of gebeurtenis wordt uitgebeeld. Meestal betreft het een verhaal uit de klassieke oudheid, de bijbel of de geschiedenis (zie ook historiestuk) (zie toneel, Nederland zeventiende eeuw). [h7]

techno: elektronische house-muziek ontstaan in Detroit midden jaren tachtig. De muziek is vaak volledig elektronisch, in navolging van Kraftwerk, en kenmerkt zich door een snelle tot zeer snelle beat. In clubs worden de technonummers door dj's voortdurend gemixt tot steeds weer

tenor: in de vroege meersternrnigheid de stem die de (zie) cantus firmus zingt. [h3]

theaterdans: verzamelnaam voor dans bedoeld om door een publiek te worden bekeken, in tegenstelling tot gezelschapsdans, waaraan iedereen kan deelnemen. [h5]

timpaan: driehoekige ruimte ingesloten door de lijst van een fronton. Vaak voorzien van reliëfs. [h2]

toccata: een virtuoos werk zonder een vast omschreven vorm. Kenmerkend zijn brede akkoorden en scherp tegengestelde passages. Werk voor toetsinstrument (klavier of orgel) of luit (zie muziek, Nederland zeventiende eeuw. Sweelinck). [h7]

tragedie, ook treurspel: toneelspel roet ernstige inhoud ontstaan in het midden van de zesde eeuw voor Christus in Athene. Bestaat uit een proloog gevolgd door drie tot vijf bedrijven. Inhoud mythologisch. Vaste regels, zoals de eenheid in tijd, plaats en handeling. De tragedie als theatervorm is door de eeuwen heen altijd blijven bestaan, al dan niet in aangepaste vorm. [hl]

treurspel: zie tragedie. [h7]

trommel: in bouwkunst: cilindervorm, rond of achthoekig, waarop de koepel steunt. Ook wel tamboer. [h4]

trompe l'oeil: het zo nabootsen van voorwerpen op schilderijen dat de beschouwer de illusie krijgt dat wat hij/zij ziet echt is. Al toegepast vanaf de (zie) Klassieke Oudheid, weer heringevoerd in de (zie)Renaissance. Hier: het voorstelbaar maken van de wereld van dromen en fantasieën. Verbeelding van de (zie) surrealiteit. [h11]

trope: toevoeging van een nieuwe tekst in een bestaande compositie, vaak toegepast in de gregoriaanse muziek tijdens de Middeleeuwen. [h3]

troubadours of trouvères: benaming voor hoofse dichters in Frankrijk tussen het einde van de elfde eeuw en het begin van de veertiende eeuw. Ze zijn letterlijk de makers van tekst en melodie (dichtersmusici) en trekken langs de hoven om hun gedichten en liederen ten gehore te brengen (zie) minnesangers [h3]

twaatftoonsysteem: een compositietechniek die uitgaat van een toonreeks, opgebouwd uit de twaalf chromatische tonen binnen het octaaf, in een door de muzikant te bepalen volgorde. Alle tonen zijn gelijkwaardig. Sinds het begin van de twintigste eeuw. Componist: Schónberg. [h11]

twist: dans uit het midden van de twintigste eeuw, waarbij de nadruk ligt op de draaiende en zwaaiende bewegingen van het lichaam. [h15]

U

underacting: acteerwijze waarbij, in tegenstelling tot overacting, een rol vlak en zonder overdrijving 'als in het werkelijke leven' wordt gespeeld. Vaak is het voor toneelspelers, die op het grote toneel geleerd hebben de zaak wat te overdrijven, moeilijk om voor film- of televisiecamera's zich de underacting eigen te maken. [h]5]

V

vanitasstilleven: (genre) een schilderij in de vorm van een stilleven waarbij de afgebeelde voorwerpen een symbolische betekenis hebben. De eindigheid van het leven en de dood staan hierbij centraal. Veel voorkomende voorwerpen zijn: een schedel, een zandloper en een uitgebluste of bijna opgebrande kaars. Het genre werd vooral in de zeventiende eeuw beoefend door Nederlandse schilders. [h7]

variété: een in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstane wijze van vertoning die het midden houdt tussen circus en revue en waarbij in bonte afwisseling acrobaten, goochelaars, jongleurs, sneltekenaars, hypnotiseurs, gedachtelezers, rekenwonders, humoristen, chansonniers enz. hun prestaties laten zien. [h9]

vaudeville: kort toneelspel met zang en orkestbegeleiding. [h9]

videodans: combinatie van dans en film, waarin beide elementen gelijkwaardig aan elkaar zijn. [h]4]

video-installatie: kunstwerk waarin een of meerdere videomonitoren een rol spelen. Bij een video-installatie speelt de opstelling van de monitoren in de expositieruimte en de eventuele combinatie roet andere objecten in deze ruimte een vol. [h] 6]

video-jockey: kortweg vj. In navolging van de dj (diskjockey) mixt de vj bestaand en eigen beeldmateriaal tot animatieclips die in clubs als ondersteuning voor de dansmuziek worden geprojecteerd. [h16]

viering: ruimte in de kerk waar de lengte-as (koor en middenschip) doorsneden wordt door het transept (of dwarsbeuk). Boven dit punt bevindt zich vaak een vieringstoren. [h4]

villanella: strofisch lied van Napolitaanse oorsprong uit de vijftiende en zestiende eeuw. Danslied. Later verspreid over Europa, vaak als drinklied. [h5]

virtual reality: niet de computer (cornputeranimatie) gemaakte kunstmatige wereld. [h]6]

W

wagenspel: middeleeuws, meestal kort toneelspel, aanvankelijk religieus, opgevoerd op een platte wagen. [h3]

wandtapijt: weefsel vervaardigd door het invlechten van kleurige inslagdraden uit wol of zijde, soms goud- of zilverdraad, niet behulp van een spoel in een ketting, die op het weefgetouw is gespannen. Vooral bekend zijn de Vlaamse tapijten (vijftiende tot achttiende eeuw) en de Franse tapijten, ook wel Gobelins, die vanaf 1650 gemaakt worden door de Manufacture Royale. [h6]

Z

zeefdruk: grafische techniek waarbij drukinkt door een stuk zijde wordt gedrukt dat gedeeltelijk is afgedekt. Toegepast voor industriële doeleinden (verpakkingen, reclameposters, enz.) en door de (zie) pop-art geïntroduceerd als techniek in de beeldende kunsten. [h15]

zijbeuk: deel van een kerk of vergelijkbare ruimte, evenwijdig aan het middenschip en ervan gescheiden door een zuilenrij of in sommige gevallen door een wand. [h2]

 

BEGRIPPENLIJST FILM

Absolute film: Film die bestaat uit beelden die onafhankelijk zijn van de tastbare werkelijkheid. De filmbeelden zijn abstract of tonen delen van de tastbare werkelijkheid als een zelfstandig geheel, zonder directe verwijzingen. De montage combineert de beelden tot een bepaald ritme
( ‘visuele muziek ’ ). Een andere benaming is cinéma pur.

Animatiefilm: Film die gebaseerd is op de enkelbeeldstechniek ( stop-motion ). De camera belicht per opname slechts éé n beeld per seconde in plaats van 24 beelden (per sec.). Op deze manier is het mogelijk tekenfilms ( cartoons) te maken of voorwerpen door het beeld te laten schuiven ( pixillation). De enkelbeeldstechniek maakt het ook mogelijk heel trage bewegingen versneld zichtbaar te maken ( time-lapse).  

Antefilmisch: Aanduiding voor de werkelijkheid zoals die door camera en microfoon wordt geregistreerd. Deze filmwerkelijkheid kan benoemd worden met een glijdende schaal van afilmisch tot profilmisch. Het afilmische is dat deel van de geregistreerde werkelijkheid dat bestaat zonder tussenkomst van camera en microfoon en dat na de opname zijn bestaan zelfstandig voortzet. Het profilmische is hiervan de tegenpool; het is de aanduiding voor alle werkelijkheidselementen die speciaal voor de opname zijn geconstrueerd (ge ë nsceneerd).  

Découpage: De ontleding van een scène in opnamen. Dit impliceert keuze van de cameraposities (plaats, hoek, beweging) en van de opnamelengten. De term klassieke d é coupage is de aanduiding voor de Hollywood-vormgeving, die gericht is op continu ï teit. D é coupage is tevens het Franse woord voor draaiboek.  

Diegesis / Diëgese: De verhaalwerkelijkheid (plaats, tijd, samenhang), een specifieke aanduiding voor de filmtekst, te vergelijken met de term ‘ fabel ’ . Discussie is mogelijk over de grens tussen di ë getisch en extra-diëgetisch, bijvoorbeeld: behoort filmmuziek wel of niet tot de verhaalwerkelijkheid?  

Draaiboek: Gedetailleerde schriftelijke weergave van een film, laatste schrijffase in de voorbereiding van de opnamen.  

Fabel: Term uit de narratologie van de Russische formalisten; aanduiding voor het verhaal dat de filmkijker kan construeren op basis van de filmtekst (het sujet). Het is de constructie van het volledige gebeuren, in chronologische volgorde.  

Filmanalyse: Systematische beschrijving van de filmtekst, hulpmiddel bij filmonderzoek.  

Filmesthetiek: Beschouwing van de film als kunst.  

Filmkunde: Filmwetenschap, bestaande uit historisch en theoretisch onderzoek van filmkunst en filmkritiek.  

Filmkritiek: Beschrijving van de filmtekst met het doel te komen tot een waardeoordeel of een kenschets (van een oeuvre, een periode, een stroming, een genre).  

Filmtekst: Film zoals waargenomen door de toeschouwer. Een filmtekst kan een groep films zijn of een groep filmfragmenten, een complete film of een filmfragment.  

Flow: Programmastroom op een televisiekanaal.  

Fotogenie: De meerwaarde die de camerablik aan mensen of situaties geeft. De term werd in de jaren twintig geïntroduceerd door de Franse filmmakers Louis Delluc en Jean Epstein.  

Fotogram: Het filmbeeld op de filmstrook, de kleinste aanwijsbare eenheid van film. Ook de aanduiding voor de afdruk hiervan. In het Engels noemt men dit een still of een frame enlargement . Fotogram is ook de aanduiding voor een foto die zonder fototoestel tot stand is gekomen.  

Freeze frame: Stilstaand filmbeeld. Wanneer 24 identieke beelden elkaar op de filmstrook opvolgen, lijkt bij projectie ervan het film-beeld gedurende een seconde stil te staan.  

Generiek: De titellijst bij films ( g é n é rique, credits ).  

Genre: Een verzameling films met gemeenschappelijke kenmerken wat betreft narratieve en visuele stijl, die door de filmkijker als zodanig ook worden herkend.  

Korte film: Film (35 mm) waarvan de lengte minder dan 1400 meter is, dat wil zeggen ongeveer 50 minuten. In het Amerikaans geeft men de lengte van een film aan door middel van het aantal spoelen (ongeveer 20 minuten per spoel): one-reeler, two-reeler.  

Mise-en-scène: Rangschikking van camera, microfoon, acteurs, belichting, decor, rekwisieten. Montage en mise-en-scène vormen samen de filmische omgeving. In de filmkritieken van André Bazin en de Cahiers-redactie was het een aanduiding voor de persoonlijke stijl van de filmregisseur annex scena rioschrijver annex producent ( auteur).  

Montage: Het selecteren, hergroeperen en aaneenplakken van filmstroken; dit impliceert een keuze inzake de volgorde en definitieve lengte van de opnamen. Montage heeft een technisch en een artistiek aspect. In het Engels heeft men twee termen waarmee men deze aspecten kan scheiden. De term cutting staat voor het technische aspect (knippen en plakken van celluloid), de term editing voor het artistieke aspect (continu ï teit, ritme).  

Narratie: Het proces van filmkijken, de constructie van een fabel.  

Opname: Opeenvolging van fotogrammen, afgebakend door het aan- en uitzetten van de camera. In het Engels onderscheid men take (de ruwe werkopname) en shot (de opname na de eindmontage). De opname kan men benoemen met behulp van een glijdende schaal: detailopname, nabij-opname, half totaal, totaal, groot totaal; in het Engels: extreme close-up, close-up, medium shot, long shot, extreme long shot. Een sequentie-opname ( sequence shot, planséquence ) is een lange opname; in plaats van een scène te decouperen in diverse opnamen, kiest men voor een registratie in één opname. Een master shot (of cover shot) is een opname die een overzicht van de scène geeft. Het master shot is bij de klassieke decoupage de basisopname, waar men totaalopnamen en nabij-opnamen aan toevoegt. Het point of view shot is een opname vanuit het standpunt van een van de personages; men spreekt ook wel van subjectieve camera.  

Protocol: Systematische schriftelijke weergave van de film.  

Scenario: De complete filmdialoog, aangevuld met aanduidingen van locatie en een beknopte beschrijving van de handeling.  

Scène: Reeks opnamen die de filmkijker als eenheid ervaart. Het gevoel van eenheid kan voortkomen uit eenheid van plaats, tijd en personages.
Een eenduidige definitie van scène is niet mogelijk.  

Sequentie: Een reeks scènes die samenhang vertonen.  

Sujet: Het gebeuren in de filmtekst. Het sujet kan afwijken van de fabel in de opeenvolging en de lengte van de gebeurtenissen en de frequentie waarmee gebeurtenissen zijn gepresenteerd. Het onderscheid tussen fabel en sujet wordt ook wel aangeduid met story en plot (verhaal en geschiedenis).  

Suspence: Het gevoel van spanning dat kan ontstaan doordat de filmkijker meer weet dan de personages of doordat beiden weten dat ‘ de tijd dringt ’ (er is dan sprake van een time-lock).

 

BEGRIPPENLIJST DANS.

Adagio: Langzame dans; in het academische ballet vaak een duet.  

Academisch ballet (of - dans): Theaterdans op basis van de academische techniek.  

Academische (ballet-of dans) techniek: De danstechniek, waarvan de basisprincipes voor het eerst werden vastgelegd in de Koninklijke Academie voor Dans, die Lodewijk XIV in 1661 stichtte. De belangrijkste principes betreffen het ‘ en-dehors ’ of buitenwaarts draaien van benen en voeten, waarvan onder meer de vijf klassieke dansposities voor de voeten zijn afgeleid. In de eeuwen daarna is de techniek - die oorspronkelijk voortkwam uit hofdansen - aanzienlijk uitgebreid. Vooral het romantische ballet gaf een grote verrijking door de introductie van de pointes-dans, de grote zweefsprongen en de lifts (tilwerk) in de duetten. Er zijn verschillende stijlen of ‘ scholen ’ - achtereenvolgens de Franse, Deense, Italiaanse, Frans-Russische, Engelse en Sovjetrussische - die onderling verschillen in variaties of accenten; maar de gemeenschappelijke basis is zo groot, dat men kan spreken van de academische (balletof dans) techniek.  

Allegro: Snelle dans met sprongen.  

Ausdruckstanz: De expressionistische, voor-oorlogse Duitse (of midden- Europese) moderne dans van onder anderen Laban, Wigman en Jooss.  

Barre: Horizontale stok langs de muur in een balletzaal, waaraan de dansers zich vasthouden bij hun (eerste) oefeningen om de spieren op te warmen.  

Ballerina en prima-ballerina(-assoluta) Termen ontleend aan het Italiaans, die letterlijk ‘ (eerste) danseres ’ respectievelijk ‘ absoluut de eerste danseres ’ betekenen. Ze worden gebruikt voor een danseres, die op een voortreffelijke manier (ballerina) of zelfs uitzonderlijke wijze (prima-ballerina(-assoluta)) zowel technisch als artistiek de zuiver academische dansstijl beheerst (de hogeschooldans: toetssteen zijn dan ook haar vertolkingen van het klassiek-romantische repertoire). De termen houden dus een kwaliteitsoordeel in ( ‘ ballerina ’ behoort bijvoorbeeld niet te worden gebruikt voor een willekeurige balletdanseres).

Ballet: In het algemeen de academische theaterdans; meer in het bijzonder een dansstuk, dat is gemaakt op basis van de academische danstechniek.

Ballet blanc: (Letterlijk: ‘wit ballet’ ) Episode, bedrijf of kompleet ballet - vooral uit de romantiek - waarin het gaat om sprookjesachtige of bovennatuurlijke, vrouwelijke wezens die vaak de in-druk wekken te kunnen zweven of vliegen; kenmerkend is de aankleding met witte if wit schijnende tutu’s. De nadruk ligt in de choreografie op het uitbeelden van gevoels- en stemmingsbeelden.  

Ballet d ’ action: Zie handelingsballet.  

Balletmeester: Bij een academische dansgroep de pedagoog, die de dagelijkse training en/of de repetities leidt.  

Batterie: Sprongen waarbij in de lucht het ene been tegen het andere wordt aangetikt.  

Buitenwaarts-draaien: Zie academische techniek.  

Caractere: Zie karakterdans.  

Choreograaf: De maker van de dans- en bewegingscompositie van een dansstuk.  

Choreologie: Ofwel Beneshnotatie - systeem voor dans (- of bewegings)- notatie, waarvan Rudolf en Joan Benesh de grondleggers zijn.  

Choreologist: Deskundige die dans noteert volgens het systeem van de choreologie.

Contactimprovisatie: Vaak acrobatisch uitziend partnerwerk, dat is gebaseerd op bewegingsimpulsen die ontstaan uit het contact van twee lichamen: zoals bij het tegen elkaar botsen van twee dansers of het schuiven en glijden van een danser over het lichaam van de partner.  

Contractie: Zie grahamtechniek.  

Contraction: Of contractie: zie grahamtechniek.  

Dansant: Op dans betrekking hebbend.

Dansscene: Ballet-episode waarin het gaat om zuivere dans. In een divertissement wordt deze vaak nader aangeduid in termen van het aantal dansers (in het Frans ‘ pas de ... ’ ).  

Danse d ’ ecole: Zie hogeschool-dans.  

Danseur noble: Zie edele danser.

Demi-caractere: Zie semi-karakter(dans).  

Divertissement: Onderdeel van een ballet - vaak als laatste bedrijf om de gelukkige afloop van een handeling te vieren - dat vooral in de romantiek tot ontwikkeling is gekomen; hierbij gaat het om zuivere dans met een opgewekt en virtuoos karakter, waarbij de amusementswaarde van de choreografie voorop staat en niet het uitbeelden van een handeling. De verschillende dansen van een divertissement worden vaak aangeduid met ‘ pas de ... ’ (zie aldaar).  

Edele (of nobele) danser:Danser die - als de mannelijke tegenhanger van de ‘ ballerina ’ - op een voortreffelijke manier en met een voorname allure de hogeschool-dans kan uitvoeren (toetssteen vormen zijn vertolkingen van het klassiek-romantische repertoire).  

Elevatie-dans: (Ook hoge of verticale dans) dans met nadruk op sprongen.  

En-dehors: Ofwel buitenwaarts-draaien; zie academische techniek.  

Entrechat: Zie kuitenflikker.  

Grahamdans (of -techniek):De inmiddels traditionele moderne-dans(techniek) die Martha Graham voor haar uiterst dramatische, expressionistische dans ontwikkelde. Het belangrijkste basisprincipe betreft de tegenstelling van contracties en loslatingen. Bij de contractie worden bepaalde borst- en buikspieren gespannen, waardoor rug en schouders een bolvormig silhouet krijgen. Contractie wordt altijd gevolgd door loslating; het laatste bestaat uit het ontspannen van de spieren, waardoor als het ware rug en schouders weer worden rechtgezet.  

Grand pas(classique): Zie grote pas-de-deux.  

Grote (of klassieke)pas-de-deux: Virtuoos hoogtepunt in een klassiek-romantisch ballet en in het bijzonder in een divertissement. Het gaat dan om een duet, van de belangrijkste soliste en haar partner, dat een vaste volgorde kent: entree (opkomst) en adagio van beiden, een of meer variaties voor elk afzonderlijk (te begin-nen door de man) en coda (afsluiting door beiden tezamen)

Handelingsballet: Verhalend balletgenre dat - als opvolger van de balletopera en voorloper van het romantische ballet - opkwam in de 18de eeuw. Hierbij werd voor het eerst het gehele verhaal uitgebeeld door dans en (panto)mime zonder - zoals gebruikelijk was bij de eerdere hofballetten en ballet-opera’s - hulp van voordracht of zang.  

Huischoreograaf: Choreograaf die als zodanig vast is verbonden aan een bepaalde dansgroep.  

Hogeschool-dans: De academische dans(stijl en -techniek) in zijn zuiverste vorm; dat wil tegenwoordig zeggen, zoals deze dans vooral in de tijd van de (laat)romantiek vorm kreeg (met name bij Petipa).  

Karakterdans: Er zijn twee vormen: dans op basis van pantomime, waarbij het vaak gaat om oudere of groteske personages, en autentieke volksdans die in een ballet wordt gebruikt.  

Klassiek-romantische ballet-ten (of repertoire): De balletten uit de 19de eeuwse romantiek, die ‘ klassiek ’ zijn geworden of - met andere woorden - nog steeds worden uitgevoerd.  

Kuitenflikker: (Veel gebruikte vorm van batterie) een sprong recht omhoog, waarbij met een soort van kleine schaarbeweging de benen eenmaal of vaker in de lucht tegen elkaar worden getikt.  

Lift(s): Ontleend aan het Engels bewegingsthema( ‘ s) waarbij een danser door een ander (gewoonlijk een vrouw door een man) wordt opgetild.  

Libretto: De (geschreven) handeling van een verhalend theater(dans)stuk.  

Loslating: Ofwel ‘ release ’ : zie grahamtechniek.  

Mime-dans: Combinatie van dans en mime; met name in bepaalde vormen van het academische ballet en de postmoderne-dans.  

Minimale (of repetitieve) dans:Vorm van pure (postmoderne-)dans, waarbij de choreograaf uitgaat van enkele eenvoudige basispassen die in een beperkt aantal basisthema ’ s worden gecombineerd. De dansthema ’ s worden weer samengevoegd in eenvoudige geometrische patronen zoals rechte lijn of cirkel. Van essentieel belang is dat de passen, thema’s en patronen volgens bepaalde wiskundige formules voortdurend worden herhaald.  

Moderne-dans: Theaterdans op basis van een moderne-dans techniek.  

Moderne-dans-technieken: Vele verschillende technieken van niet-academische of ‘ moderne-dans ’ (bijvoorbeeld de danstechnieken van Graham, Limon of Cunnigham). Men kan dus niet spreken van de moderne-danstechniek. Het (enige) gemeen-schappelijke kenmerk van de verscheidene moderne-danstechnieken is, dat zij niet zijn gebaseerd op het principe van het ‘ buitenwaartsdraaien ’ dat kenmerkend is voor de academische danstechniek.  

Multimedia-dans: Vorm van postmoderne-dans, waarbij dans en bewegingskunst worden gecombineerd met andere kunstvormen die een essentiele rol spelen bij het resultaat.  

Muziekballet: Niet-verhalend ballet, dat de structuur en de inhoud (de gevoels- en stemmingsbeelden) van een muziekstuk nauw volgt.  

Pirouette: Draai om de lichaams-as, staand op een been.

Pas d’action: Zie dansscene.

Pas-de-deux: Letterlijk ‘ dans voor twee ’ in het academische ballet veel gebruikte aanduiding van een duet. Een bijzondere vorm is de grote of klassieke pas-de-deux (zie aldaar).  

Pas de (...): Dansscene voor een bepaald aantal dansers; de derde term geeft het aantal aan (bijvoorbeeld: deux = twee, trois = drie, enz.). De aanduiding wordt vooral gebruikt voor de verschillende dansscenes in een divertissement.  

Performance-dans: Vorm van postmoderne-dans, waarbij het gaat om een dans- of bewegingsspel met een performance-achtig karakter. Dikwijls wordt hierbij geimproviseerd.  

Pointes(dans): Letterlijk (teen)punten(dans) in de romantiek in zwang geraakte dans op balletschoenen met versterkte teenpunten (=pointes), voor een danseres die daardoor op de top van haar tenen kan dansen. Pointes worden alleen gebruikt in het academische ballet en alleen door vrouwen (of door mannen in groteske dansen, bijvoorbeeld in travestie).  

Ports de bras: Letterlijk ‘ armhoudingen ’ arm- en handhoudingen en -bewegingen.

Postmoderne-dans: Stroming in de moderne-dans, die zich in de jaren zestig sterk begon te ontwikkelen als een reactie op de expressionistische dans uit de jaren dertig (vooral die van Graham en Humphrey). De benaderingswijze is meestal anti-inhoudelijk, anti-interpretatief en niet emotioneel-expressief terwijl de nadruk ligt op de bewegingsconstructie: het gaat vooral om de visuele zeggingskracht van passen en bewegingsthema ’ s. Er zijn vier hoofdvormen te onderscheiden: pure dans (onder te verdelen in vrije dans en minimale dans), mime-dans, performance-dans en multimedia-dans.  

Pure dans: Vorm van postmoderne-dans, waarbij het gaat om zuiver dansante bewegingen; kan worden onderverdeeld in vrije dans en minimale dans.  

Repetitieve dans: Zie minimale dans.

Scenario: Zie libretto.

Semi-karakterdans: Dans op basis van de academische ballettechniek, waarbij echter andersoortige bewegingen zijn gebruikt om de dans een bepaald karakter te geven. Wat dat laatste betreft, gaat het dan vaak om bepaalde lichaamshoudingen en arm- en handbewegingen (bijvoorbeeld vleugel-achtige bewegingen om een zwaan te karakteriseren).  

Spitzendans: Genoemd naar het duitse woord ‘ Spitzen ’ voor ‘ pointes ’ .  

Symfonisch ballet: Niet-verhalend ballet, dat de structuur en inhoud (de gevoels- en stemmingsbeelden) van een symfonisch muziekstuk nauw volgt.  

Tutu: Het in de romantiek in zwang geraakte balletrokje, dat bestaat uit meerdere lagen stof; oorspronkelijk van tarlatan of zijde, tegenwoordig van een kunststof.  

Vrije dans: Vorm van pure (postmoderne-)dans, die niet uitgaat van strakke compositieprincipes.

BEGRIPPENLIJST BEELDEND

A trois quarts: (frans) voor ‘ drie-vierde ’ , bij een portret.  

A cire perdue: “ Verloren was ” . Een giettechniek die al door de oude Egyptenaren gebruikt werd en ook tegenwoordig nog steeds wordt toegepast. Voorwerpen, beelden, die men wil gieten worden eerst in was geboetseerd. Deze wasmodellen worden dan bedekt met een laag klei of gips. Bij verhitting loopt de was dan uit dit gipsen model. Het oorspronkelijke wassen model gaat dus verloren. De holten die zijn ont- staan worden opgevuld met gesmolten metaal, dit metaal wordt hard waarna de klei-mal wordt gebroken. Het gietstuk kan dan bijgewerkt worden. Het nadeel is dat het oorspronkelijke model verloren gaat en dus niet opnieuw gebruikt kan worden.  

Abstraheren: Het doen onstaan van een minder herkenbaar beeld uit een herkenbaar beeld. In het uiterste geval is het non-figuratief geworden. Sommige beeldende aspecten kunnen ieder op zich worden geabstraheerd. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van vorm-abstractie. 

Academisch: Schools; door de leermeester bepaald; volgens vaste regels en / of naar bepaalde voorbeelden. 

Acrylverf: Synthetische verfsoort. Belangrijk zijn: - een pigment dat de verf kleur geeft. - het bindmiddel is acrylhars. - het oplosmiddel waarmee de verf op strijkbare dikte wordt gebracht is water.  

Afsnijding: Het (gedeeltelijk) wegvallen van vormen zodat de suggestie ontstaat dat ze zich buiten het kader voortzetten. Afsnijding wordt onder meer gebruikt om ruimte te suggereren.  

Allegorie: Samengestelde zinnebeeldige voorstelling, waarbij mensen en / of dingen een begrip vervangen (zoals deugden, on- deugden enz.). Het verschil tussen een zinnebeeld en een allegorie is te vinden in de samengesteldheid van de allegorie. Bijv. een gevleugeld kind (engeltje) is een personificatie van de liefde; richt dit kind zijn peil op een voorbijganger, dan is er sprake van een allegorie.  

Ambachtelijk: Grotendeels met de hand, door de handwerksman gemaakt, dit i.t.t. industrieel. 

Annunciatie: De engel Gabriel kondigt Maria de geboorte aan van Jezus (Christus). Deze religieuze voorstelling is talloze malen onderwerp geweest in de schilderkunst. Vaak wordt er bij de voorstelling gebruik gemaakt van symboliek (een lelie in een vaas om de reinheid en de maagdelijkheid van Maria te symboliseren).  

Anti-kunst: Kunst die tegen de traditionele normen ingaat.  

Applicatie: Textiele techniek waarbij vormen op een ondergrond (meestal van stof) zijn bevestigd door middel van naaien en / of plakken.  

Assemblage: Samenvoeging van verschillende, reeds bestaande, vooral driedimensionale voorwerpen tot een vrijstaande plastiek of een relief. Voorbeelden: sommige werken van Danië l Spoerri, Robert Rauschenberg, Woody van Amen.  

Atmosferisch Vorm van ruimtesuggestie door vervaging van vorm, kleur,

perspectief: toon en / of textuur.  

Attribuut: Herkenningsteken dat aan een afgebeeld persoon wordt toegevoegd om zijn functie of waardigheid aan te geven, soms is de persoon zelf weggelaten en wordt alleen het attribuut, als symbool voor die persoon afgebeeld.  

Avantgarde: Groep van vooruitstrevende kunstenaars.  

Beeldaspect: Is hetzelfde als beeldelement. Een te onderscheiden basiseigenschap met een beeldende functie, bijv. kleur, licht, ruimte, punt, lijn, vlak, vorm, textuur, compositie, ritme.  

Beeldende middelen: De middelen die men aanwendt / gebruikt om tot vormgeving te komen van bijvoorbeeld een gebouw, een beeldhouwwerk, een schilderij of een ets, kortom iedere vorm van beeldende kunst. Beeldende middelen zijn: - beeldaspecten - materiaal - techniek

Bindmiddel: Bij verf de stof die de pigmentdeeltjes bindt en zorgt dat deze hechten op de ondergrond. Afhankelijk van het soort bindmiddel ontstaan verschillende verfsoorten: Temperaverf: bindmiddel = eierdooier. Olieverf; bindmiddel = olie. Acrylverf: bindmiddel = acrylverf. Aquarel: “ bindmiddel = water.  

Cannelure: Verticale groef in zuil.  

Clair-obscur: Letterlijk: licht-donker. Bedoeld wordt eigenlijk licht-schaduw! De term wordt gebruikt wanneer het licht- schaduw contrast erg groot is. Clair-obscur is een van de typische kenmerken van de Barok.  

Collage: Vorm van tweedimensionale beeldende kunst waarbij (eventueel verschillende) materialen worden opgeplakt. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld kubistische collages van Pablo Picasso en Georges Braques. Collages van Henri Matisse.  

Compositie: De ordening van de delen in een geheel. Er zijn verschillende soorten composities. Een compositie-grondvorm of compositie-schema is een samenstelling van opvallende richtingen in een meestal tweedimensionale compositie. Zo onderscheiden we: - Diagonaal compositie (vaak in de Barok). - Centraal compositie. - Driehoeks compositie. - Pyramidaal compositie. - ‘ over all ’ compositie. - Dynamische compositie (eigenlijk ook een ‘ over all ’ compositie maar uitgesproken druk en beweeglijk).

Compositieschets: Schets van de compositie van een werkstuk.

Als op het examen gevraagd wordt een compositieschets te maken, dan moet: 1. Als het werkstuk tweedimensionaal is, de compositieschets gemaakt worden binnen een kader van de juiste verhouding. 2. Op de juiste plaats en in de juiste verhoudingen met enige nadruk kunnen worden aangegeven: - opvallende contouren en / of - opvallende richtingen en / of - de licht / donker verdeling en / of - de grondvorm van de compositie en / of - de kleurverdeling. Uit de vraagstelling zal blijken welk van deze onderdelen tot uiting moet komen in de compositieschets.  

Conceptual Art: Uit verzet tegen de traditionele uitdrukkingsvormen stellen de kunstenaars van de ‘ conceptuele kunst ’ dat het bedenken van een kunstwerk het eigenlijke werk van de kunstenaar is en dat de materiele visualisatie van het idee van ondergeschikt belang is. Het gaat meer om het produceren van een idee, dan om het vervaardigen van een waardevol, duurzaam kunstobject.  

Concreet: Werkelijk bestaand.  

Constructie: Bouwwijze, samenstellingswijze, bijv. van een gebouw, een brug, een weefsel of een drie-dimensionaal beeldend werkstuk. Belangrijk hierbij zijn de dragende delen, de gedragen delen en de manier van samenvoegen (bijv. door knopen, vlechten, lassen, klinken, verbinden met bouten en moeren, houtverbindingen.)  

Coulissenwerking: Ruimte-uitbeelding door middel van gedeeltelijk achter elkaar geplaatste vlakken, zoals bijv. bij kijkdozen, toneeldecors. Het is een bijzondere vorm van overlapping. Een repoussoir is een grote, meestal donkere vorm op de voorgrond in een tweedimensionale voorstelling; deze vorm is ruimte scheppend omdat hij resoluut wordt afgesneden, donker afsteekt tegen de lichte achtergrond en deze gedeeltelijk overlapt. (bijv. in de Barok.)  

De heilige Sebastiaan: Religieuze voorstelling, vaak terug te vinden in de Barokke schilderkunst. De heilige Sebastiaan wordt omwille van zijn (christelijke) geloof met pijlen doorboord. De heilige Ursula weet hem ternauwernood van de dood te redden. Zij bevrijdt hem van de paal waaraan hij vastgebonden zit en wast zijn wonden.  

Design: (Engels) gebonden vormgeving.  

Dimensie: Letterlijk: afmeting. Het woord vinden we ook terug in tweedimensionaal: in het platte vlak, driedimensionaal: ruimtelijk.  

Drukprincipe: Men onderscheidt: - hoogdruk bijv. houtsnede, linoleumsnede. - diepdruk bijv. metaalgravure, ets. - vlakdruk bijv. lithografie. - doordruk bijv. zeefdruk.  

Eclecticisme: Als stijl benaming van die vormen van beeldende kunst uit de 19de eeuw (voornamelijk in de bouwkunst en toegepaste kunst), waarbij elementen van verschillende voorafgaande stijlen zijn samengevoegd.  

Ecriture automatique: Betekent oorspronkelijk automatisch schrijven. De schrijver moet zich volkomen ontvankelijk opstellen om zo snel en zonder bewuste idee ë n te schrijven. Spontaan opkomende gedachten worden ongecontroleerd op papier gezet. Dit was een surrealistische techniek gepropageerd door de dichter Andr é Breton.  

En profil: (Frans) in zijaanzicht, van opzij gezien (bij portret).  

En face: (Frans) in vooraanzicht, van voren gezien (bij portret).  

Esthetisch: Gericht op ‘ schoonheid ’ .  

Evangelist: Schrijver van een van de evangeli ë n (Matthe ü s, Marcus, Lucas, Johannes). Op de tympanen van Romaanse kerken worden deze vier evangelisten vaak gesymboliseerd door een stier, een adelaar, een engel en een leeuw. Bij de Sagrada Familia van Antonio Gaudi worden de evangelisten gesymboliseerd door de 4 torens.  

Factuur: Waarneembare sporen aan het oppervlak ten gevolge van een hanteringswijze van technieken en / of gereedschappen.  

Fresco: Muurschildering op natte kalk. Op de muur wordt eerst met houtskool een ondertekening, een schets gemaakt. Van deze schets wordt een gedeelte met kalk bestreken, bij voorkeur zoveel als men in een dag kon beschilderen (in verband met het snelle drogen). Men schildert met kalkwater waarin de kleurstof is gemengd. Deze verf gaat een verbinding aan met de ondergrond. De schilder werkt naar aanleiding van zijn schets op papier of karton, immers de ondertekening is verdwenen door de opgebrachte kalklaag. Het in elkaar doen vloeien van tinten en tonen is niet tot nauwelijks mogelijk.

Genre: Al dan niet gefantaseerd tafereel uit het dagelijks leven, waarbij de (anonieme) menselijke figuur de hoofdrol speelt. Grote bloei in de Hollandse schilderkunst uit de 17e eeuw.

Frottage: Max Ernst, surrealistische schilder, propageerde het automatisch schilderen waarbij de actieve rol van de kunstenaar a.h.w. wordt uitgeschakeld. Ernst voelde de beelden in zijn innerlijk opkomen en bracht deze zuiver intu ï tief op het doek. Bij frottage wordt een blad papier of een doek aangebracht op een voorwerp dat textuur / relief vertoont. Hierover wordt gewreven met potloden enz. Het werkzame aandeel van de maker wordt dus tot een minimum teruggebracht. Rubbing (letterlijk: wrijving) is een ander woord voor frottage.  

Functie: Letterlijk doel. Men onderscheidt als belangrijkste functies: 1. De gebruiksfunctie (is gebruiksdoel). 2. De symbolische functie (bijv. de auto als statussymbool). 3. Versierende functie. 4. Beeldende functie.  

Functioneel: Voldoen aan de eisen van bruikbaarheid.  

Gewapend beton: Storting van vloeibaar mengsel van cement, water, zand en grind in een bekisting, die na het hard worden wordt weggehaald. De ‘ wapening ’ , door het beton heen, bestaat in de regel uit gevlochten staalstaven. De uiterlijke vorm wordt in hoge mate bepaald door de bekisting, waarvoor materialen als hout, metaal, plastic of vezelplaat worden gebruikt. Door deze bekisting is het dus mogelijk ongebruikelijke vormen aan het gewapend beton te geven (bijv. het dak van de kapel van le Corbusier).  

Gewassen tekening: Tekening die is ingeschilderd ( ‘ gewassen ’ ) met een verdunde oplossing van het gebruikte tekenmateriaal. Bijvoorbeeld gewassen inkt.  

Glacis: Is een dunne doorzichtige kleurlaag. Een mengkleur komt tot stand door verscheidene glacis van verschillende kleur over elkaar heen te schilderen, bijvoorbeeld in de olieverftechniek van Jan van Eyck en bij de aquareltechniek. (Het werkwoord is glaceren).  

Gordijnmuur: Niet-dragende muur met een slechts afdichtende functie. Een gordijn-muur bestaat vaak uit grotendeels glas, plaatwerk (zoals board of kunststof) of steen. Het wordt vaak gebruikt bij skeletbouw.  

Grondering: De drager van een schilderij bijv. het houten paneel, het linnen, het karton, het papier enz. kan op verschillende manieren geprepareerd worden en zo klaargemaakt voor gebruik. Een stuk karton kan bijv. gegrondeerd worden met latex voordat men het gaat beschilderen. Zo kan een stuk linnen (van nature ongekleurd) gegrondeerd worden met witte verf.  

Hanteringswijze: 1. De manier waarop is of wordt gewerkt met materiaal en gereedschap. 2. Het beeldend resultaat van de manier waarop met materiaal en gereedschap is gewerkt. De schilder Jan Toorop bijv. gebruikte vaak een paletmes om de verf op het doek aan te brengen. Dit is dus een andere hanteringswijze dan die van bijv. de Pointillisten die de verf met penselen in stippen op het doek aanbrachten.  

Hogen: Het min of meer dekkend aanbrengen van lichte plekken in een geschilderde of getekende voorstelling om er de meest naar voren tredende, meest oplichtende gedeelten van vormen mee aan te geven, zodat de plastiek benadrukt wordt. (bijv. bij glimlichten).  

IJzer: In een hoogoven wordt ijzer door reductie vrijgemaakt uit zijn oxyden door toevoeging van koolstof. IJzer is sterk, gemakkelijk te bewerken en goedkoop. In de 18de eeuw werd ijzer vooral als gietijzer gebruikt. Het kon worden gesmolten en in vormen gegoten.  

Illusionisme: Een zo sterke ruimtesuggestie is een plat vlak, dat de bedrieglijke schijn van een drie-dimensionale werkelijkheid ontstaat. Bijv. Trompe l ’ oeil.  

Industrieel: Machinaal, in grote aantallen vervaardigd, i.t.t. ambachtelijk.  

Inhoud: Datgene waar een kunstwerk over gaat. Betreft zowel aspecten van de vormgeving als aspecten van de voorstelling.  

Kenmerken: Uiterlijkheden waardoor men een beeld, stroming kan rubriceren. (stijlkenmerken).

Kikvorsperspectief: Vanuit een zeer laag standpunt gezien.  

Kleurcontrasten: Men onderscheidt (onder andere): - Complementair contrast: tegenstelling die wordt ervaren tussen complentaire kleuren. - Kwantiteitscontrast: tegenstelling die wordt ervaren tussen kleuren die een oppervlakte van verschillende grootte beslaan. - Kwaliteitscontrast: tegenstelling die wordt ervaren tussen het meer of minder verzadigd zijn van kleuren. - Simultaancontrast: verandering van een waargenomen kleur door de invloed van een andere kleur in de omgeving.  

Kleuren: Men onderscheidt (onder andere): - pastelkleuren, met veel wit gemengd. - aardkleuren, bijv. oker, sienna, alle met veel bruin, groen- bruin, roodbruin gemengde kleuren. - locale kleur, kleur als eigenschap van een object. Bijv. een bal is wit, de schaduw kan echter blauwachtig lijken. (zie impressief kleurgebruik). - primaire kleuren. - secundaire kleuren. - tertiaire kleuren, kleuren gemengd uit de 3 primaire kleuren, al dan niet met toevoeging van wit en zwart.  

Kleurmenging: Men onderscheidt bijvoorbeeld: - Menging op het palet. - Menging op het doek. - Menging door transparante kleurlagen (glacis). - Optisch mengen (bijv. Pointillisten).  

Kleurgebruik: Men onderscheidt (onder andere): - Expressief kleurgebruik; waarbij in de eerste plaats een gevoel vertegenwoordigd / opgeroepen wordt. - Symbolisch kleurgebruik: kleuren krijgen een symbolische betekenis. Eenzelfde kleur kan afhankelijk van thema, mode, cultuur, plaats en tijd verschillende betekenissen krijgen. - Impressief kleurgebruik: kleurgebruik, waarbij de locale kleur (kleur als eigenschap van een object) veranderd onder invloed van licht, wordt weergegeven.  

Kleurperspectief: Manier om ruimte te suggereren, waarbij gebruik gemaakt wordt van de ruimtelijke werking van kleuren in onderlinge relatie. (rood kan opdringerig zijn, naar voren tredend en blauw is wijkend, ruimte scheppend).  

Kruisafname: Een religieuze voorstelling, regelmatig terug te vinden in de Middeleeuwse- en Barokke schilderkunst. Christus wordt na de kruisiging van het kruis genomen en wordt beweend door zijn moeder Maria en heiligen.  

Laatste Oordeel: Religieuze voorstelling, veelvuldig terug te vinden in manuscripten (miniaturen) en in de beeldhouwkunst (tympaan van Romaanse kerken). Men noemt het Laatste Oordeel ook wel de Apocalyps. Bij het einde van de wereld (door velen vooruitgezien in het jaar 1000) wordt door God een oordeel geveld, de zielen worden gewogen. De goeden komen in de hemel, de kwaden in de hel. In veel van deze voorstellingen wordt gruwelijkheid niet geschuwd, symboliek wordt veel gebruikt. De hel (lemuil) wordt soms letterlijk uitgebeeld als de muil van een monsterachtig wezen. De weegschaal waarop de zieltjes worden gewogen is soms daadwerkelijk te zien. Jeroen Bosch heeft wel het meest beroemde schilderij gemaakt van dit thema. De folteringen die hij afbeeldt zijn gruwelijk, de mensen dierfiguren bizar.  

Licht: 1.Er kan sprake zijn van direct licht en indirect licht. Indirect licht is licht via weerkaatsing, weerspiegeling, reflecties zoals glimlichten. 2. In tweedimensionale voorstellingen (dus bijv. een schilderij) wordt met licht vrijwel altijd bedoeld: lichtsuggestie.

Lichtbron: Bijvoorbeeld natuurlijke lichtbronnen: - zonlicht, maanlicht, bliksemlicht, kaarslicht. En onnatuurlijke lichtbronnen: - lamplicht, in verschillende soorten (bijv. TL-licht).  

Lijnperspectief: Ruimtesuggestie op een plat vlak door middel van, onder meer, verdwijnpunten en een horizon.

Lineair: Uit lijnen opgebouwd.  

Mal: Model waarmee een vorm kan worden gekopieerd.  

Maniërisme: Is de naam van een stijlperiode in de Italiaanse kunst van ca. 1530-1590 (1525-1600), later ook gebruikt voor kunst buiten Itali ë met overeenkomstige kenmerken. Het houdt in o.a. een elegant, ge ï dealiseerd schoonheidsgevoel, een bestudeerde houding van de figuren en het aanwenden van geleerdheid, handigheid en fantasie zonder daarbij de natuur al te letterlijk te volgen.  

Manuscript: Het beroemdste van alle handschriften is de Apocalyps van Saint Sever, thans in de Bibliotheque Nationale. Het is een commentaar op de Apocalyps geschreven door Beatus, abt van Liebana. Evenzeer als de tekst droegen de bewonderenswaardige miniaturen bij tot het succes van het boek. Het manuscript is in 784 geschreven; van de 10de - tot aan het begin van de 12de eeuw werd het manuscript met de miniaturen onophoudelijk gereproduceerd.  

Metafysica: Metafysische schilderkunst wil het bovennatuurlijke weergeven. De schilderijen van Giorgio de Chirico, metafysisch schilder bij uitstek, laten ons lege pleinen zien met klassieke architectuurvormen. Levende mensen ontbreken in praktisch al zijn werk. Men kan de metafysica beschouwen als directe voorloper van het surrealisme.  

Miniatuur: Met de hand getekende en / of geschilderde versiering en / of illustratie in een handschrift (manuscript).  

Objet trouvé: Surrealistisch object, een ‘ gevonden voorwerp ’ dat door een kleine verandering, toevoeging of combinatie een geheel nieuwe betekenis krijgt.

Overlapping: Een vorm van ruimte-uitbeelding (ruimtesuggestie). Gedeelten van vormen komen niet in beeld doordat andere vormen ervoor geplaatst zijn.  

Patchwork: Werkstuk bestaande uit aan elkaar bevestigde lapjes. (Een textiele techniek die vroeger vaak gebruikt werd bij het vervaardigen van bedspreien).  

Piëta: In het Italiaans betekent het letterlijk: medelijden. Het is een veel voorkomend thema in schilder- en beeldhouwkunst. Maria wordt afgebeeld met het dode lichaam van Christus in haar armen. De meest beroemde Pi ë ta is wel de gebeeldhouwde Pi ë ta van Michelangelo.  

Pre-fab: Komt van het Engelse: pre-fabricated. In de fabriek in onderdelen gemaakt, meestal op standaard formaat, naderhand kunnen de onderdelen elders worden samengevoegd.  

Ready-made: Surrealistisch object, een buiten zijn normale samenhang ge ë xposeerd produkt zoals het flessenrek en het urinoir van Marcel Duchamp. Duchamp verhief deze voorwerpen tot kunstwerk uitsluitend door ze te signeren en daarna te exposeren. Men noemt ze surrealistische objecten maar men kan ze evengoed onderbrengen bij het Dada ïsme.  

Restvorm: Dat deel van de ruimte of het vlak, dat tussen of naast de vormen overblijft.  

Roeping van Religieuze voorstelling, vaak terug te vinden in de Barokke

Mattheüs: schilderkunst. De apostel, discipel, Mattheüs wordt door Christus ‘ geroepen ’ om hem te volgen. Vaak is Mattheüs op schilderijen te zien als middelpunt van een aantal mensen en wijst hij verbaasd naar zichzelf.  

Ruimtesuggestie: De ruimte die werkelijk aanwezig lijkt te zijn, meestal in tweedimensionale werken. Het effect van ruimtesuggestie krijgt men door o.a.: - overlapping - afsnijding - verkleining - verkorting - kleurperspectief - atmosferisch perspectief - licht en schaduwwerking (clair-obscur) - herhaling - diverse projectiemethoden bijv. lijnperspectief.

Schering en inslag: Termen die gebruikt worden bij het weven. Schering of ketting: stelsel van draden die evenwijdig aan elkaar in de lengterichting van een weefsel lopen. Inslag: stelsel van draden dat om en om door de schering is geweven.  

Schilderwijze: Men kan op verschillende manieren de verf op de drager aanbrengen: - pasteus (dik, als een pasta, bijv. olieverf) - dun, transparant bijv. aquarelverf - egaal, (dit kan men goed doen met de air-brush techniek) - vlekkerig - met toetsen (denk bijv. aan de Impressionisten) - dekkend - in een laag - in verschillende lagen (bijv. bij het glaceren).

Silhouet: Vlakke, egaal gekleurde (meestal donkere) vorm die bepaald wordt door zijn omtrek en goed afsteekt tegen de omgeving, bijv. vormen in tegenlicht, schimmenspel.  

Sjabloon: Uitgesneden vlakke vorm, die gebruikt wordt om gedeelten van het werkstuk af te dekken, die niet moeten worden bewerkt.  

Skeletbouw: Bouwwijze waarbij het dragende gedeelte gevormd wordt door een skelet (bijv. de bouwwijze die vaak wordt toegepast bij hoogbouw en waarbij het dragend skelet wordt gevormd door kolommen en vloeren, meestal van gewapend beton of staal).  

Sokkel: Voetstuk (van bijv. een beeldhouwwerk). Deze sokkel kan een essentieel onderdeel zijn van het totale kunstwerk.  

Staal: Staal is smeedbaar. Door schrikken (plotseling afkoelen) kan staal gehard worden. Staal is lichter, buigzamer en harder dan ijzer en is in staat om trekkracht op de nemen.  

Stroming: Uitdrukking van een groep verwante kunstenaars die zich door hun uitingen onderscheiden van anderen.  

Symbolisme: Is een beweging in de literatuur en de beeldende kunst aan het einde van de 19de eeuw. Deze ontstaat als een reactie op het Realisme en het Impressionisme

(deze hielden zich immers bezig - op hun eigen manier - met de werkelijkheid) De kunst moet zich niet richten op een visuele analyse maar op het verhuld weergeven van ideeen en emoties. Vaak werd er in het symbolisme gebruik gemaakt van meerduidige en soms zelfs onduidelijke symboliek. Door onderzoek naar het onderbewuste is er een regelrechte band met het surrealisme in de 20ste eeuw.  

Symboliek: Symboliek is de leer der symbolen. Een symbool is een teken dat een begrip of een idee voorstelt of aanduidt; dit teken kan zijn een kleur, een combinatie van tekens, een voorwerp of een afbeelding daarvan en ook een handeling. Om misverstand in woordgebruik te voorkomen moeten we goed het onderscheid in de gaten houden tussen symboliek en symbolisme. Bijvoorbeeld: de symboliek of ook wel de zinnebeeldige betekenis van de kleur rood is liefde; paars betekent boete of rouw; wit is reinheid. Terwijl men steeds opnieuw kan spreken van symboliek, is het symbolisme een historisch verschijnsel. Het bijvoeglijk naamwoord van symboliek is symbolisch; het bijvoeglijk naamwoord van symbolisme is symbolistisch.  

Tableaux: Edward Kienholz, de ‘ maker ’ van de Beanery, het ‘ klokkencafé’ (Stedelijk Museum Amsterdam) noemt de environments die hij maakt tableaux. De theatrale opstelling van figuren in een wassenbeeldenmuseum noemt men ook wel tableau. Door zijn keuze en de manier waarop hij zijn tableaux samenstelt, confronteert Kienholz ons steeds met een bepaald aspect van onze samenleving. Men kan de Beanery van Kienholz ook wel een assemblage noemen.  

Textuur: In de beeldende kunst wordt hiermee bedoeld de zichtbare en voelbare aard van de oppervlakte (huid) van bijv. een weefsel, een schilderij, een beeld, een tekening. Stofuitdrukking is de gesuggereerde textuur.  

Thema: Leidraad, hoofdgedachte voor een of meer werkstukken. Veel voorkomend zijn: - landschappen - portretten - stillevens - naakten - zeegezichten - onderwerpen uit de bijbel - de geschiedenis - de (klassieke) mythologie - literatuur - genrestukken.  

Uitsparingstechniek: Techniek waarbij een gedeelte van de ondergrond wordt uitgespaard d.m.v. bedekking met een ondoordringbare stof die later verwijderd wordt. Bijv. uitsparing d.m.v. was bij batikken. Bijv. uitsparing d.m.v. sjablonen bij zeefdrukken.  

Vakwerkbouw: Bij het opbouwen van de muren wordt een netwerk van balken opgezet en vervolgens opgevuld met leem (modderachtige substantie) of metselwerk. De houten constructie (het netwerk van balken) blijft aan de buitenkant zichtbaar waardoor de muren lijken te zijn opgedeeld in vlakken. Vakwerkhuizen treft men veel aan in Duitsland, Engeland en Limburg.  

Vanitas: Letterlijk: ijdelheid. Term gebruikt voor stillevens waarin voorwerpen om hun symbolische betekenis zijn opgenomen, bijv. een afgebrande kaars, schedel, zandloper, bijbel, uurwerk enz. Zij houden de beschouwer voor dat alles vergankelijk is. Een zeer geliefd thema in de Barok. Een vanitas-stilleven is niet te verwarren met de realistische bloemenstillevens die ook op grote schaal in de Barok werden gemaakt.  

Visitatie: Religieuze voorstelling voorkomend in de schilderkunst van bijv. de Renaissance. Maria en haar tante Elisabeth ontmoeten elkaar en vertellen elkaar van hun toekomstig moederschap (Jezus en Johannes).  

Vogelvluchtperspectief: Vanuit een zeer hoog standpunt gezien.