Joseph Mallord William Turner, English, 1775 - 1851
The Burning of the Houses of Lords and Commons, October 16, 1834
Philadelphia Museum of Art

London Times on October 17, 1834

"Shortly before 7 o'clock last night the inhabitants of Westminster, and of the districts on the opposite bank of the river, were thrown into the utmost confusion and alarm by the sudden breaking out of one of the most terrific conflagrations (vuurzee) that has been witnessed for many years past....The Houses of the Lords and Commons and the adjacent buildings were on fire."

Turner witnessed the event, along with tens of thousands of spectators, and recorded what he saw in quick sketches that became the basis for this painting. Flames consume Saint Stephen's Hall, the House of Commons, and eerily (griezelig) illuminate the towers of Westminster Abbey, which would be spared. On the right the exaggerated scale and plunging perspective of Westminster Bridge intensify the drama of the scene, which Turner observed from the south bank of the Thames River.

 

kleurcontrast kleurpalet vlakverdeling zichtlijnen perspectief penseelvoering stilering ritme plaatsing in het vlak horizon contrast licht en schaduw weerspiegeling textuur glans verfsoort grootte lijst

 

Westminster Bridge door Daniel Turner 1800

 

This watercolour was Turner's first to be accepted for the Royal Academy's annual exhibition in April 1790, the month he turned fifteen. The watercolour showcases Turner's progress in mastering perspective, showing several buildings at dramatically different angles.

Palace of Westminster Londonparlementsgebouwen en westminster abbey op de achtergrond

greenwoodmap 1830

 

Renoir - beeldanalyse en kunstgeschiedenis

powerpoint

lunch bij het bootfeest 1861

lunch bij het bootfeest 300px

K I J K W I J Z E R

Beeldbeschrijving
- schilderijen -



‘Bedenk dat een schilderij - voordat het een strijdros, een naakte vrouw of een ander verhaal voorstelt - in wezen een plat vlak is, bedekt met kleuren die op een bepaalde manier zijn geordend.’

Aan de hand van deze kijkwijzer maak je een beeldbeschrijving van een schilderij. Om een schilderij te doorgronden, kijk je naar drie aspecten:

  • De verschijningsvorm; hoe ziet het werk eruit en hoe is dat bereikt?
  • De inhoud; wat heeft de kunstenaar verbeeld, wat is de betekenis?
  • De functie; wat is het doel van het werk?

Maak in ieder geval de basisopdrachten en bepaal in overleg met je docent of je ook alle vervolgopdrachten gaat maken of een gedeelte hiervan. Aan het einde kun je de slotopdracht doen. Gebruik uitsluitend potlood om mee te schrijven en houd voldoende afstand t.o.v. de schilderijen.


Deel I Basisopdrachten

Opdracht 1
Welke informatie biedt het bijschrift?
Noteer:

  • Naam kunstenaar
  • Jaartallen geboorte en sterfte
  • Titel van het werk
  • Datering van het werk
  • Overige informatie

Opdracht 2
Wat zie ik? Beschrijf objectief, dus zonder waardeoordeel, wat je allemaal ziet en op welke plaats in het vlak de dingen zijn geplaatst.

Opdracht 3
Maak een schets van het door jou gekozen schilderij. Geef de grote vormen/vlakken aan in het vlak, ook ten opzichte van elkaar. Geef de kleuren aan in nuances van grijs als je geen kleurpotloden bij de hand hebt.


Deel II Vervolgopdrachten


Vraag je af hoe de kunstenaar te werk is gegaan. Hoe komt het dat je ziet wat je ziet? De kunstenaar wil je iets laten zien en ervaren. Hiervoor gebruikt hij/zij beeldende middelen. Deze zijn bijvoorbeeld: kleur, lijn, vorm, textuur, licht, ritme en ruimte. De volgende vragen hebben hier betrekking op, ze zijn ondergebracht in de categorieën A tot en met G.

 

A. Materiaal


Elke kunstenaar heeft een eigen manier waarop hij/zij het penseel hanteert, uiteenlopend van schetsmatig tot nauwkeurig, egaal, glad of ruig en borstelig. Dit heet de penseelvoering. Onder textuur wordt het oppervlak van de verf verstaan. Het oppervlak kan glad, maar ook ruw en grof zijn. Een schilderij kan met diverse soorten verf zijn gemaakt, bijvoorbeeld met olieverf, aquarel, gouche of acrylverf, maar ook op verschillende ondergrondsoorten worden aangebracht, o.a. linnen, hout, papier en karton.

Opdracht 4
Probeer te achterhalen met welk materiaal het schilderij is gemaakt. Zeg iets over zowel de penseelvoering als de textuur.


B. Ordening

Een kunstwerk bestaat uit verschillende, losse elementen, die zijn samengevoegd tot een geheel. De begrenzing van afzonderlijke vormen noemen we contouren of omtreklijnen. Contouren kunnen hard en lijnmatig zijn, maar ook brokkelig of zacht. Ook zijn er verschillende soorten vormen bijvoorbeeld geometrisch of organisch. Als vormen tegen elkaar afsteken (groot-klein, hoekig- rond etc.) is er sprake van vormcontrast. Sommige schilderijen zijn lineair, dat wil zeggen dat het tekenmatige, lijnmatige erin overheerst. De contouren zijn duidelijk en scherp. Andere schilderijen zijn picturaal, dat wil zeggen dat het schilderachtige erin overheerst. De contouren zijn zacht en de overgangen vaag.


Opdracht 5
Hoe onderscheiden de onderdelen ophet schilderij zich van elkaar? Geef zowel een typering van de contouren als van het vormgebruik.

Opdracht 6
Is het schilderij vooral lineair of meer picturaal? Licht je antwoord toe.

De afzonderlijke delen hebben hun eigen plaats op het schilderij - ze zijn geordend op het platte vlak. Harmonie en evenwicht bereikt de kunstenaar met goed gekozen verhoudingen en door de plaatsing van vormen. Dit alles wordt compositie genoemd. Hierbij wordt niet gelet op details, alleen op lijnen en vormen. Er zijn verschillende mogelijkheden voor een compositie, o.a.:
-

  • Symmetrische compositie =het linker en rechter gedeelte zijn vergelijkbaar.
  • Centrale compositie = de meest opvallende plaats is het midden.
  • Diagonale compositie =er ontstaat een tweedeling door een diagonale beeldas.
  • Geometrische compositie =er zit een meetkundig systeem achter de compositie.
  • Piramidale compositie = drie beeldassen vormen een driehoek.
  • Over-all-compositie alle delen zijn even belangrijk, er is een patroonachtige verdeling.

    Opdracht 7
    Maak een beschrijving van de compositie. Hoe heeft de schilder de dingen in het vlak geplaatst? Beschrijf hoe het evenwicht is ontstaan; door welke vormen, kleuren of contrasten op welke plaats.

 

C. Ruimte

 

Een schilderij heeft twee dimensies: hoogte en breedte, en is dus plat. Veel
kunstenaars proberen het platte vlak te doorbreken door middel van de illusie
van ruimte. Dit kan op de volgende manieren:

  • Lijnperspectief en verkorting = er ontstaat illusie van diepte doordat de lijnen op het doek samenkomen in een (vlucht-) punt op de denkbeeldige horizon. Alles wat zich tussen deze lijnen bevindt, lijkt in de richting van de horizon kleiner te worden.
  • Sferisch perspectief = de kunstenaar bereikt de illusie van ruimte door een geleidelijke kleurverandering: op de voorgrond warme/heldere kleuren, ‘verder weg’ koele, vergrijsde kleuren.
  • Meer details op de voorgrond dan in de achtergrond.
  • Richting horizon worden de contouren onscherper.
  • Overlapping en oversnijding = het voor en achter elkaar zetten van figuren en door figuren op de voorgrond te laten afsnijden door het kader


Opdracht 8
Is er sprake van ruimte? Zo nee, waarom vind je van niet? Zo ja, op welke manier heeft de kunstenaar deze gesuggereerd?


D. Licht


Zonder licht kunnen we niet zien. De kunstenaar gaat dus bij voorbaat uit van het bestaan van licht, maar hanteert het ook als beeldmiddel. Mogelijkheden zijn:

  • Licht-donker = schilders gebruiken licht en schaduw om de ruimtelijkheid van dingen te suggereren. Extreme gevallen van licht-donkergebruik noemen we clair-obscur.
  • Licht-om-zichzelf = het kan zijn dat licht het onderwerp van het schilderij is, denk bijvoorbeeld aan het Impressionisme.
  • Symboliek = licht-donker kan ook een symbolische betekenis hebben, bijvoorbeeld goed-kwaad, dag-nacht.
  • Spiegeling en reflectie = onder spiegeling wordt verstaan een beeld gespiegeld in water of een spiegel en de glimlichtjes op glanzende voorwerpen. Met reflectie wordt de weerkaatsing van licht bedoeld.

6
Opdracht 9
Beschrijf welke rol licht speelt in het schilderij. Hoe zijn licht en schaduw geschilderd? Van welke kant komt het licht en wat is de lichtbron?

 

E. Kleur


Alles wat we zien manifesteert zich door kleur en licht. Elke kleur wordt beïnvloed door de kleuren in de directe omgeving. Er zijn primaire kleuren: rood, geel en blauw. De secundaire kleuren ontstaan door vermenging hiervan: oranje, groen en paars. Door verder te gaan ontstaat een onbegrensd scala aan kleuren. Mogelijkheden voor kleurgebruik zijn:

  • Rationeel kleurgebruik = verstandelijk kleurgebruik, bijv. het gras is groen, een baksteen is rood.
  • Impressief kleurgebruik = kleurgebruik naar waarneming van de werkelijkheid, bijv. in schaduw zit soms groen.
  • Expressief kleurgebruik = gebruik van de emotionele betekenis van kleur.

 

Daarnaast kan een rol spelen:

  • Contrast = kleuren die ver van elkaar verwijderd zijn, bijv. rood en groen of ‘koud’ en ‘warm’.
  • Emotionele waarde = sommige kleuren hebben een gevoelswaarde, bijv. grauwe kleuren stemmen droevig, geel doet opgewekt aan.
  • Symboolwaarde = cultuurhistorisch bepaalde waarde van kleur, bijv. wit is onschuld, rood de kleur van de liefde.

Opdracht 10
Geef aan de hand van het bovenstaande een beschrijving van het kleurgebruik.

 

F. Beweging


Beweging in een schilderij is illusie. De kunstenaar koos uit de stroom van momenten en houdingen in de werkelijkheid één moment uit om de hele beweging te suggereren. De ogen maken de bevroren beweging op het doek af.
Beweging kan ook worden gesuggereerd door ritme. Door vergelijkbare of identieke beeldfragmenten naast elkaar te zetten ontstaan ritme en beweging.

Opdracht 11
Is er sprake van beweging of ritme in het schilderij. Zo ja, hoe is deze door de kunstenaar gerealiseerd?


G. Standpunt

Het standpunt vanwaar de kunstenaar een gegeven uit de werkelijkheid bekijkt is tegelijkertijd het standpunt dat de beschouwer inneemt. Afgezien van een gewoon standpunt kunnen we onderscheid maken tussen een hoog en een laag standpunt (vogelvlucht- en kikkerperspectief).


Opdracht 12
Is er sprake van een bijzonder standpunt? Zo ja, beschrijf dit en bedenk de reden hiervoor.


Deel III Slotopdracht


Met deze beschrijving in je hoofd, kun je gaan bedenken wat de bedoeling is van het schilderij. Vraag je daarna af: wat wil de kunstenaar ons vertellen?
Soms kan de titel behulpzaam zijn. Het kunstwerk kan bijvoorbeeld zijn:

  • Anecdotisch = het kunstwerk verbeeldt een verhaal, gebeurtenis, plaats of situatie.
  • Symbolisch = het kunstwerk verwijst naar iets anders dan dat wat is geschilderd.
  • Decoratief-esthetisch = het kunstwerk dient ter decoratie.
  • Expressief = het kunstwerk drukt gevoelens en emoties uit.
  • L’Art pour l’art , ‘kunst om de kunst’= het kunstwerk dient als onderzoek naar de kunst zelf. Het kunstwerk verwijst uitsluitend naar zichzelf.

Opdracht 13
Wat zijn volgens jou: de bedoeling van de kunstenaar en de betekenis van het schilderij? Licht je antwoord toe.


Gebruikte bronnen:
 - A. de Visser, Hardop kijken, 1986
 - B. Boermans, Begrippen in beeldende vormgeving, 1995
 - C. Geljon e.a., Palet, informatieboek, 1998
 - P. van der Heijden, Arti, methode kunstbeschouwing
 & kunstgeschiedenis, 1997

credits en bron: © gemeentemuseum den haag maart 2001