Vormleer

Homofone vormen

Liedvormen

  • aba = driedelige liedvorm
  • aaba = tweedelige liedvorm
  • ABA, waarbij bijvoorneeld A zelf uit aba bestaat noemen we een samengestelde liedvorm

Rondo

  • refreinstructuur:
  • ABACADA enz. (frans rondo)
  • ABACABA (weens rondo)

Variatievorm

  • thema, gevolgd door variaties: A A1 A2 A3 A4 enz.

Hoofdvorm

Voor alle vormen geldt dat er in langere werken overgangen en verbindingen tussen de structuurdelen kunnen zitten.

Polyfone vormen

Motet

Fuga

Madrigaal

 

Vormen in de muziekgeschiedenis

Middeleeuwen

  • Responsoriale en antifonale praktijk
    • gregoriaans gezang waarbij twee groepen afwisselend zingen, of één stem afwisselend met de groep
  • Mis
    • gregoriaans gezang dat bestaat uit de vaste delen: kyrie, gloria, credo, sanctus en agnus dei
  • Volkslied en kunstlied
    • liedvorm, refreinstructuur, variatie
  • Estampie
    • liedvorm
  • Organum
    • gregoriaans gezang met eenvoudige tegenstem
  • Motet
    • cantus firmus (al bekende gregoriaanse melodie) met twee tegenstemmen

Renaissance

  • Imitatie, canon, stemparen, bicinium
    • het herhalen van een melodie in een andere stem kan op veel manieren, maar benadrukt de onafhankelijkheid van de stemmen
  • Cantus-firmustechnieken
    • een al bestaande stem wordt gebruikt om tegenstemmen tegen af te zetten. Vaak is de cantus firmus de minst ritmisch gevarieerde stem
  • Protestants kerklied
    • een nieuwe melodie met een religieuze tekst in de landstaal
  • contrafact
    • een bestaand liedje dat van nieuwe tekst wordt voorzien.
  • Motet, chanson, madrigaal
    • meerstemmige polyfone compositie op geestelijke of wereldlijke tekst. Ook zonder cantus-firmus. Soms ook homofone gedeeltes. Terts in akkoorden gaat een belangrijke rol spelen.
  • De mis als meerstemmige compositie
    • polyfone technieken toegepast in de traditionele misdelen
  • Pavane en gaillarde
    • hofdansen: statig in 2 delige maat en vlot in 3-delige maat, liedvorm

Barok

  • Ontstaan van opera en ballet, oratorium en cantate
    • dit zijn samengestelde vormen, want elk onderdeel heeft zijn eigen structuur. Polyfonie en homofonie wisselen elkaar af.
  • Concerterende stijl
    • concerten voor één of meer soloinstrumenten, begeleid door orkest. Vaak drie delen. Afwisseling solisten en orkest.
  • Suite
    • reeks dansvormen, ieder met karakteristiek tempo, maatsoort en eenvoudige vorm. Meest homofoon.
  • Fuga
    • Polyfone vorm met thema dat in de expositie geimiteerd wordt in alle stemmen, daarna volgt een doorwerking en een slotgedeelte, vaak met overlappende thema's
  • Thema met variaties variaties op vele manieren, maar in de barok blijft het thema altijd herkenbaar.
  • Passacaglia, chaconne
    • vormen waarbij eenzelfde baslijn en soms ook de bijhorende akkoorden steeds herhaald worden.
  • Rhetorica en affecten als structuurbepalende elementen
    • Tekst en symboliek beïnvloeden de vorm

Weense klassieken

  • Strenge periodebouw
    • in alle vormen is de zinsbouw in veelvouden van twee maten
  • Hoofdvorm
    • structuur met twee thema's in de expositie, daarna een doorwerking en vervolgens de reprise waarin de twee thema's terugkomen. Het tweede thema staat in een verwante toonsoort. In de doorwerking veel modulaties.
  • Symfonie en sonate
    • meerdelige vorm: 1e deel in hoofdvorm, 2e in liedvorm of variatievorm, 3e deel een menuet (scherzo), 4e deel rondo of hoofdvorm
  • Menuet
    • ABAvorm: menuet-trio-menuet

Romantiek

  • Loslaten van klassieke vormopvattingen
    • periodebouw doorbroken, soms meer dan twee thema's, vrijere vormen
  • Romantische symfonie en sonate
    • meerdelige vormen, variabel aantal
  • Symfonisch gedicht
    • gebaseerd op buitenmuzikaal gegeven: gedicht of verhaal. dit structureerd het stuk
  • Kunstlied
    • mogelijkheden: liedvorm, couplet-refrein structuur, gevarieerd coupletlied, doorgecomponeerd
  • Coloratuur in de opera
    • gedeeltes in een aria waar 'stemkunst' wordt bedreven
  • Dansen: wals, mazurka, polonaise, bolero
    • van oorsprong volksdansen. Later kunstvorm geworden met karakteristiek dansritme en tempo

Impressionisme

  • Doorbreken van periodieke zinsbouw
  • Voorkeur voor vrije vormen
  • Structuurbepaling vanuit buitenmuzikale titels
  • Klankkleur als structuurbepalend gegeven
    • dit wil zeggen dat het houvast in de structuur door klankkleur verschillen ontstaat

Expressionisme

  • Ostinate figuren
  • Dodecafonische technieken
    • reekstechniek waarbij alle twaalf tonen in een vaste volgorde gehoord moeten zijn voor de reeks terugkeerd: atonaal
  • Voorkeur voor een duidelijke vorm

Neo-stijlen

  • Hergebruik van oude structuren
    • neo-barok: suite, neo-klassiek: hoofdvorm enz.

Avant garde

  • Ad hoc structuren
    • ter plekke tot stand komende volgordes
  • Minimal music
    • geen afbakening, maar langzame verandrting van steeds herhaalde motieven
  • Collagetechnieken
    • het samenvoegen van stukjes muziek uit allerlei stijlen en tijden

Pop en jazz

  • song, ballad
    • AABA of couplet-refrein structuur
  • bluesschema
    • 12 matig met vast akkoordschema, ook 8 matig komt voor en vele variaties in de akkoorden
  • refreinstructuur met bridge
    • veel popmuziek heeft vlak voor de slotrefreinen een contrasterend gedeelte: de bridge