Bartók , sonate voor slagwerk en twee piano's (1937)

Bartok (1881-1945) was een Hongaarse componist die een vernieuwer was. Hij gebruikte veel modale toonsoorten (kerktoonsoorten), op kwarten gebaseerde harmoniën en beschouwde de kleine septiem als consonant. Later schreef hij bitonale, polytonale of atonale muziek. Hij verwerkte veel hongaarse melodiën in zijn muziek. Voor pianisten zijn de stukken uit 'microkosmos' erg bekend. Zoals alle vernieuwers uit de eerste helft van de 20e eeuw schreef hij voor symfonieorkest maar ook veel kamermuziek met ongebruikelijke combinaties. Net als voor strawinsky werd ritme een net zo belangrijker aspect als melodie en harmonie. In dit soort muziek zie je veel maatwisselingen, dissonanten, ongebruikelijke klankkleuren, nieuwe harmonieën. Wat wel blijft zijn de basiselementen van muziek; ordening, vorm, thema's en motieven.

Eerste sectie van 0:00 tot 13:00

0:0 Applaus en buiging.

  1. Stop de film, wat zie je staan aan instrumenten behalve de twee piano’s?
    Van links naar rechts zie ik: …
  2. 0:42 De eerste sectie.
    1. Het stuk begint met een zachte …….……..…….van de pauk
      met een langzame pianomelodie in het …….……..……. register.
    2. Noteer de eerste vier tonen van het openingsmotief, gebruik een notatieprogramma met klank. (Noteflight bijv.) Kopieer je noten in het antwoordblad.
    3. Het motief wordt driemaal herhaald, wat verandert er?
  3. Je hoort een bekkenslag
    1. de piano speelt …….……..…….
    2. Op welke toon begint het hierboven genoemde figuur op de piano?
  4. Weer een bekkenslag, de piano speelt en er is één slag op …….……..…….
  5. 2:05 de paukenist speelt met zijn rechterhand zachtjes op de …….……..…….de piano’s spelen langzaam aanzwellende akkoorden.
  6. Dan speelt de rechter slagwerker een korte roffel op de …….……..…….
  7. …….……..……. en piano spelen een doorgaand ritme dat versnelt. Dat heet: …….……..…….
  8. 3:50 Na een korte climax hoor je voor het eerst een duidelijk melodisch motief, het ritme ervan is:
    …….……..…….
  9. Hierna speelt de xylofonist, maar ook de paukenist een orgelpunt, hoe hoor/zie je dat?
    …….……..……
  10. De slagwerker herhaalt dit motief qua ritme. Op welk instrument?
    Op de …….……..…….
  11. 4:20 Beide slagwerkers spelen op snaredrums. Welke van de twee klinkt het laagst, de voorste of de achterste? …….……..…….
  12. 4:55 De spanning neemt weer af door de volgende zaken:
    1. (tempo) …….……..…….…….……..…….…….……..……….
    2. (klankkleur / instrumenten) …….……..…….…….……..…….…….……..…….…….……..…….
    3. (ritme) …….……..…….…….……..…….…….……..……….
    4. (toonhoogte) …….……..…….…….……..…….…….……..……….
  13. 5:12 Wie speelt of waar hoor je het tremolo / het orgelpunt?
    …….……..…….….……..…….
  14. 5:35 De paukenist zet zijn voet op het pedaal. Hoe noem je het effect op 5:30?
    …….……..…….….……..…….
  15. 5:58 Hier begint een nieuw gedeelte van het stuk. Hoe hoor je dat?
    1. (dynamiek)… ….……..…….….……..…….
    2. (motieven) ….….……..…….….……..…….
  16. De linkerpianist speelt een melodisch motief. De rechter speelt laag als een percussieinstrument. Hoe hoor je dat? ….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….
  17. 6:20 De xylofonist zie je van stokken wisselen. Waarom?
    ….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….
  18. 6:50 Wat doet de paukenist in dit gedeelte? ….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….
  19. 7:20 Speelt de rechter pianist nu een tremolo of een triller? ….……..…….….……..…….
  20. 7:50 Er klinken op de snaredrum enkele losse slagen. Als deze vier tellen duren, welke notenwaarde speelt de rechter pianist dan?
    …….……..…….
  21. 8:00 We horen even de triangel maar daarna zet de piano een steeds herhaald motief in. Hoe heet zo’n compositietechniek met een voortdurend herhaald motief? ….……..…….….……..…….
  22. Wie van de drie spelers in dit gedeelte heeft de langste notenwaarden? ….……..…….….……..…….
  23. 8:40 Hier hoor je een tijdje een hoogtepunt waarbij piano en slagwerk hetzelfde ritmische motief spelen. Spelen ze dit tegelijk of om beurten? ….……..…….….……..…….
  24. 9:00 De spanning is lager maar echt ontspant de muziek niet. Hoe komt dat? ….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….….……..…….
  25. 10:00 Even een kleine gezamelijke afsluiting en we gaan over naar een ander tempo. Het karakter is nu:
    …….……..…….
  26. 11:00 Nu wel echte ontspanning. Rond 11:30 hoor je in de piano snel omhoog gebroken akkoorden, deze speelwijze heet ook wel
    …….……..…….
  27. 12:18 Een bekend melodisch motiefje van drie toonhoogtes keert terug. Welk interval ligt er tussen de topnoot, en de volgende toon? …….……..…….
  28. Als de tweede noot een b is wat is dan de eerste en de derde noot? (de derde is een octaaf lager dan de eerste)…….……..…….
  29. 12:28 Hier eindigt deze sectie. De overgang wordt gemarkeerd door:
    …….……..……
  30. Bartok is geboren in (land en jaartal) …..…….……..…….…….……..……. en een vernieuwer van de 20-eeuwse muziek. Dat dit een stijlbreuk met de romantiek is kan je horen door:
    1. (bezetting)……….……..…….…….……..…….…….……..…….
    2. (harmonie)……….……..…….…….……..…….…….……..…….
    3. (ritme)……….……..…….…….……..…….…….……..…….
    4. (toonsoort)……….……..…….…….……..…….…….……..…….
nakijken en nabespreken