Schumann Wiegenliedchen opus 124 No.6

 

Beluister het stuk en volg de partituur

Eenvoudig

  1. Wat is de maatsoort?

  2. Wat is de toonsoort?

  3. Wat is het tempo in een italiaanse aanduiding? Allegro, andante, grave, presto?

  4. Is er sprake van overgangs of terrassen dynamiek?

  5. Wat is de ligging van het stuk? Hoog, midden of laag.

  6. Wat is ritard?

  7. Wat is in tempo?

  8. Wat is dimin.?

  9. Wat is (qd=116) ?

  10. Wat is de omvang van de melodie? (de melodie ligt in de topnoten met stok omhoog)

  11. Wat betekenen de cijfers, de sierletter ‘P’ en de sterretjes?

 

 

Basis

De titel zegt iets over het karakter van dit stuk: wiegend, rustig, eenvoudig, en melodieus. Gebruik bij de antwoorden zaken als: maatsoort, tempo, ritmiek, omvang, overheersende notenwaarde, dynamiek, ligging, akkoordverloop, zinsbouw.

  1. Waaruit blijkt het wiegende karakter?

  2. Waaruit blijkt het rustige karakter?

  3. Waaruit blijkt de eenvoud van de vorm?

  4. Waaruit blijkt het melodieuze karakter? (kies twee argumenten: denk o.a. na over spanningsboog, intervalverloop en contour van de melodie)

  5. Hoe heet de vorm van dit stuk? Kies uit: tweedelige liedvorm AABA, driedelige liedvorm ABA, variatievorm, vrije vorm) Ga uit van de notatie.

  6. Waarom is dit stuk homofoon?

  7. Waarom is de toepassing van ritard. zinvol?

  8. Waarom is het dimin. belangrijk in de laatste maten van het eerste en tweede gedeelte?

  9. De akkoordpartij en de melodie zijn beide in de rechterhand verwerkt. Hoe doet Schumann dat?

  10. Noteer de melodie van het eerste gedeelte:

  11. Geef in bovenstaand notenvoorbeeld met bogen de twee muzikale zinnen met fraseringsbogen

  12. Hoe verhoudt de partij van de linkerhand zich ten opzichte van de melodie in maat 1-6?

  13. De akkoordbrekingen in dit stuk zijn steeds op dezelfde manier. Welke?

  14. Noteer de omvang van de melodie en de omvang van de baspartij in absolute notennamen.

  15. Welke akkoorden staan in de gebruikte hoofdtoonsoort op de hoofdtrappen I, IV en V?  

 

Plus

  1. Beide gedeeltes eindigen niet op de cadens V-I. Welke dan wel?

  2. Welke van beide cadensen (V-I) of degene die je net gevonden hebt is het meest krachtig? (probeer uit op de piano)

  3. Zoals gewoonlijk is de Ve trap belangrijk in gedeeltes van de melodie waar de spanning moet blijven hangen. Zoek zo’n maat in het eerste gedeelte.

  4. Wat is het meest gebruikte harmonisch ritme (de notenwaarde waarmee akkoorden veranderen) in de eerste 8 maten?

  5. Draagt dit harmonisch ritme ook iets bij aan het karakter van het stuk?

  6. Op een gegeven moment valt het kruis weg. Het stuk lijkt dan in A mineur te staan. Waarom A mineur en niet C majeur? (maat 12-13)

  7. In het tweede gedeelte zit een spanningspiek. Waar?

  8. Hoe bouwt Schumann deze spanning op? Gebruik de technische term.

  9. Bekijk de verhouding van de melodie en de baslijn in de eerste helft van  het tweede gedeelte. Zet tussen de noten van de baslijn steeds P (Parallel) of T (tegenbeweging)

  10. Draagt dat ook iets bij aan het karakter van het stuk?

  11. Als in de noten de G# weer G is maar er wel een C# gebruikt wordt, op welke toonsoort wijst dat dan?

  12. Hoe weet je zoals in dit geval dat de modulatie die niet doorzet ?

  13. Hoe heet zo’n schijnbare overgang naar een andere toonsoort?

  14. Zeggen deze omvangen ook nog iets over het karakter?

  15. Zoek een biografie van Schumann en beschrijf deze kort. Zoek it of dit een jeugdwerk of niet is.

  16. Leg uit waarom dit stuk stijleigen is voor deze periode van de muziekgeschiedenis.

  17. Beluister twee andere uitvoeringen en geef daarna in een paar zinnen de verschillen met de hier gebruikte uitvoering.

 

 

Leer de termen en laat je schriftelijke resultaat zien aan de docent voor aftekening.    print alleen partituur alleen partituur