Rondo

Rondo's (vroeger: rondeel, frans: rondeau, engels: round) zijn er al heel lang. In de middeleeuwse volksmuziek wemelt het van de liedjes met een refrein waartussen steeds gevarieerd werd. En dat is meteen het basiskenmerk: Een krachtige melodie komt van tijd tot tijd terug in het stuk. Rondos zijn bijna altijd vrolijk, gemakkelijk te doorgronden, hebben veel herhaling en worden daarom vooral in dansmuziek en als laatste deel van een concert of suite gebruikt. (een suite is een reeks dansen) Uiteindelijk ontstaan er twee typen: het Franse rondo: ABABACADA enz. en het Weense rondo: ABA-C-ABA, waarbij C lang is.

 

Rondo uit divertimento kv 229 / sonatine van W.A.Mozart . (Weense klassieken)


Je hoort een versie voor hammerklavier (voorloper van de piano), de bladmuziek is een versie voor vier instrumenten.

 

 

Gebruik de bladmuziek hieronder (versie voor 4 instrumenten ipv piano) of print uit

denk ook aan de begrippenlijst voor uitleg.

  1. Noteer met letters de vorm. Denk om de vormtekens in de partituur.
  2. Hoeveel keer hoor je het refrein?
  3. Wat is de vorm van het refrein in letters?
  4. Verdeel de eerste acht maten (een volzin) met fraseringsbogen in twee kleinere zinnen
  5. Hoeveel motieven worden in de eerste acht maten gebruikt?
  6. Een zin heeft vaak een halfslot en een slot. Het halfslot heeft een akkoord op de vijfde trap (dominant), het slot een akkoord op de eerste trap (tonica). Waar zit het halfslot in de eerste acht maten?
  7. Welke twee articulatie-tekens zie je in de eerste acht maten?
  8. Wat is de hoofdtoonsoort?
  9. Er is voortdurend sprake van een cadens bij afsluitingen, het sterkst aan het slot in de maten 88-94. Noteer hieronder de akkoordnamen en de gebruikte trappen. Let op, soms wordt een akkoord uitgesmeerd, de akkoordtonen worden na elkaar gespeeld, dat heet een gebroken akkoord.
  10. Er zijn allerlei redenen waarom deze muziek op een natuurlijke wijze en prettig klinkt. Geef hiervoor een verklaring waarin je verwerkt: akkoordgebruik, frasering, dynamiek, omvang, motieven, evenwicht in de vorm, ingehouden contrasten.
  11. Wat betekent het teken in maat 16?
  12. Wat betekent het teken in maat 64?
  13. Leer de vetgedrukte begrippen.
  14. Is dit stuk een Frans of Weens rondo?
  15. Leer de begrippen Frans rondo en Weens rondo.
  16. Google Mozart en schrijf in eigen woorden en in maar twaalf zinnen zijn biografie. Controleer op spelling en grammatica.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Händel concert no 1 in Bb majeur (Barok)

Deel 3 allegro. 1:18

 

andel

  1. Analyseer de vorm met letters.
  2. Wat is het kenmerk van deze vorm?
  3. Dit is een Concerto Grosso: steeds een afwisseling van het hele orkest (tutti) en een kleine groep (ripieno of concertino). Volg onderstaande instrumentatie en geef vormletters.
  • tutti
  • hobos en fagot
  • tutti
  • strijkers met hobos in afwisseling
  • tutti
  • fagot en lage strijkers
  • hobo en fagot (heel kort)
  • tutti.
  1. De hobos en fagotten spelen vaak in paren. Hoe noem je de stemverhouding tussen deze twee?
  2. In welk gedeelte hoor je het duidelijkst sequensen? (een sequens is het vaak meerdere keren herhalen van een motief of korte melodie op een steeds andere toonhoogte, de sequensketen als geheel is dan dalend of stijgend)
  3. Is deze sequens: 0.24-0.40
  • a. dalend, daarna stijgend
  • b. stijgend daarna dalend
  • d. alleen dalend
  1. Wat is meer karakteristiek aan het beginmotief: het ritme of de melodie?
  2. Is dit een drieklank of een laddermotief.
  3. Dit deel staat in G mineur, wat is de verwantschap met Bb majeur?
  4. Wat zijn de drie tonen van dit beginmotief die volgen op de G?
  5. In werkelijkheid klinkt dit stuk een halve toon lager. Hoe komt dat?
  6. Zou je het ritme van het beginmotief in achtsten of kwarten noteren?
  7. Wat is het algemene karakter van dit deel?
  8. Google HS¯ndel en schrijf in twaalf zinnen en in eigen woorden zijn biografie. Controleer op spelling en grammatica.