Mozart 1e deel sonate kv 457

bladmuziek printen

Opdrachten:

  1. er zijn drie nivo's van vragen. Kijk hoever je komt.
  2. leer de vetgedrukte begrippen

Eenvoudig:

  1. Dit stuk staat in C mineur. Waarom?
  2. Wat betekent Allegro Molto? (opzoeken)
  3. Dit stuk heeft een expositie, een doorwerking en een reprise met coda (=slot). Het is dus geschreven in de hoofdvorm. Geef in de partituur de onderdelen aan.
  4. Geef aan waar en tot welke maat het eerste thema herhaald wordt. Alleen kijken op blz 1.
  5. Dit stuk moduleert naar de parallel van C mineur in maat 36. Welke toonsoort is dat? (kwintencirkel!)
  6. In maat 30-34 hoor je een slotgedeelte, tevens overgang naar iets nieuws. Welke kenmerken van een slot vind je hier terug? zie (aantekeningen over slot)
  7. De hoofdtoonsoort zie je altijd terug in het slotakkoord. Dus C-Eb-G. Welke noot zit twee keer in het slotakkoord? (lees F-sleutel)
  8. Sommige melodietjes of noten worden 'versierd'. In maat 175 hoor je zo'n versiering. tr betekent triller. Luister en leg uit hoe je een triller speelt.
  9. Er is overgangsdynamiek (met crescendo en decrescendo) en terrassendynamiek. Welke soort dynamiek wordt in dit stuk gebruikt?
  10. Het beginmotief van het eerste thema is bijzonder duidelijk: een stijgend gebroken akkoord in Cmineur. Markeer met een haak alle plaatsen waar dit motief opduikt.

basis:

  1. In maat 19 lijkt het thema herhaald te worden maar toch begint hier een overgang naar het tweede thema. Waarom?
  2. Zoals gezegd, het 2e thema staat niet altijd in de dominant. Vooral bij mineur stukken kiest de componist graag voor de parallele toonsoort. Zoek in het gedeelte vanaf maat 36 tot de herhaling de eerste plaats waar je een overduidelijke cadens V-I hoort. Dus (V) Bes-direct gevolgd door (I) Eb
  3. Het eerste thema loopt tot maat 20. Verdeel dit thema met bogen in tweëen.
  4. Kan je deze beide delen nogmaals in tweëen delen?
  5. In maat 1-4 hoor je 2 motieven: het stijgende gebroken akkoord dat je a noemt. Geef dat aan met een rechte haak met a erboven.. Het tweede motief noem je b. Dat hoor je twee maal in maat 3 en 4. Vergelijk motief b in maat 3 en 4.
  6. Een orgelpunt is een gedeelte waar de bas 'blijft hangen'. Zoek zo'n gedeelte op in blz 1 en schrijf erbij: orgelpunt.
  7. Een chromatische lijn is een stukje van opeenvolgende stijgende of dalende kleine secundes. Zoek 4 stukjes van minstens drie noten die een chromatisch lijntje vormen.
  8. 'pendelen' noemen we het steeds heen en weer gaan. Ergens in blz 1 zit ook een pendelbeweging. Waar?
  9. Op maat 74, voor de herhaling van de expositie gebruikt Mozart een overgangsakkoord om logisch naar C mineur terug te gaan. Dat zal dus een vijfde trap zijn, dus een G akkoord. Wat doet die F en die Ab in dat akkoord? (denk erom dat een akkoord in weze een tertsenstapeling is op een grondtoon)
  10. Bovendien gebruikt hij in de laatste twee maten voor de herhaling ook qua motief een handige overgang naar het begin. Hoe zie je dat?
  11. De doorwerking begint schijnbaar met thema 1 in een nieuwe toonsoort. Welke?
  12. Welk stuk uit de expositie gebruikt Mozart in maat 75-82?
  13. In een doorwerking wordt veel met nieuwe toonsoorten gewerkt. Dus komen er ook afwijkende akkoorden in voor. Geef de akkoordnamen van motief a in maat 87-88, in maat 89-90 en zo verder tot maat 94.
  14. In maat 100 begint de reprise. Vergelijk dit gedeelte met de expositie. Wat is het verschil?
  15. In maat 168 begint een coda (slot). Behalve de gewone slotkenmerken doet Mozart nog iets om het slot duidelijk te maken. Wat?

Plus

  1. Het 1e thema is gebouwd op drie akkoorden. Het B verminderd akkoord in maat 3 is een prachtig verbindingsakkoord tussen Cm en G. Waarom?
  2. Harmonisch is er niet veel aan de hand in het eerste thema, toch weet Mozart mooie contrasten te maken met motieven en stemvoering. Geef voorbeelden van beide zaken in het eerste thema.
  3. Ook ritmisch is dit thema interessant. Het begint met halven en kwarten, daarna schuift hij steeds meer ritmische variatie in het thema. Leg dat uit.
  4. Vergelijk de verbindingszin in de reprise met de overgangszin in de expositie. Waar maakt hij harmonisch duidelijk dat hij toch echt in Cm zal blijven?
  5. In maat 23 lijkt het 2e thema al bereikt, toch is dat niet zo. Waarom?
  6. De triolen gebruikt Mozart vooral in de doorwerking. Welk effect heeft dat op het stuk?
  7. Er is een bepaald Mozartiaans motiefje dat bijna een stijlkenmerk van hem is. Welke karakteristiek heeft dat?
  8. Zoek op waar Mozart woonde toen hij deze sonate heeft gecomponeerd en hoe zijn toestand toen was.