Barok

Algemeen

In de barok wordt zowel polyfonie als homofonie begeleid door een baslijn met akkoorden. Het basso continuo. Melodieën ontstaan door het aaneenrijgen van motieven. Omdat er weinig adempauzes zijn en het ritme steeds doorloopt spreken we ook van barokke motoriek.

becijferde bas: alleen onderste balk is voor basso continuo spelers uitgeschreven,
de akkoorden kan je opmaken uit de basnoot en de cijfers.

polyfonie (canonisch of imitatie) over een basso continuo partij.

Klankkleur

  • Het herkennen van orgel en klavecimbel.
  • Het herkennen van een triosonate als instrumentale combinatie. Triosonate = stuk voor drie stemmen, maar dat betekent dan vaak twee soloinstrumenten + basso continuo, of driestemmig voor klavier.

Voorbeelden:

Triosonate van Händel. Viool, altblokfluit en basso continuo: theorbe (akkoorden) en cello (baslijn).

Begin op 00:47; Triosonate van J.S.Bach. Wel een clavecimbel, maar een moderne fagot en een moderne dwarsfluit.

Brandenburgs concert nr 5 met belangrijke partij voor de dwarsfluit, in dit geval een authentieke (= oorspronkelijke) houten fluit, een traverso. Het continuo bestaat uit clavecimbel, cello en contrabas.

Triosonate voor orgel solo. Dus een driestemmig stuk. De baslijn zit in de pedaalpartij.

Triosonate van Valentini voor twee violen en basso continuo: klavecimbel en cello.

Concerteren

  • Het herkennen van dubbelkorigheid.
  • Het in een concerto grosso onderscheiden van concerto grosso, concertino en tutti.
  • Het kunnen identificeren van het soloinstrument in een soloconcert.
  • Het herkennen van terrassendynamiek.

Het concerto grosso en soloconcert 1600-1750

Bekijk dit filmpje:

Händel: concerto grosso 'Alexanders feast', let op de smanestelling en grootte van een barokorkest, met tegenwoordig vaak 'authentieke' instrumenten. Verder is dit een voorbeeld voor de structuur van concertino en tutti, het veel gebruiken van sequensen, terrassendynamiek en natuurlijk het basso continuo.

Het orkest uit de barok is klein en gegroepeerd rond de leider met een basso continuo instrument, meestal het clavecimbel.

Barokmuziek heeft altijd een tactus: dat is de puls die je voelt. Een metronoom voor absolute tempoaanduidingen bestond nog niet. Soms schreven ze gewoon aan het begin: tempo giusto, oftewel: het juiste tempo. Dat is dan ongeveer je hartslag. Een snellere tactus dan een gemiddelde rustige hartslag voelt aan als vlot of snel, een langzamere als langzaam of zeer langzaam.

Barokorkest met als continuo: contrabas, twee cello's, clavecimbel en eventueel een (kist)orgel.

Barokorkest met twee authentieke hobo's. Het concertino in een concerto grosso.

Händel: trompetconcert in D

Chaconne, een variatievorm

  • De aanwezigheid van een ostinate bas.
  • Het volgen van een thema van een chaconne of passacaglia.
  • Chaconne/passacaglia/ground.

Passacaglia voor viool en cello: Händel-Halvorsen Passacaglia, let op de voortdurend herhaalde baslijn en de variaties daarboven.

Suite, een reeks dansen

  • Het vergelijkenderwijs herkennen van sarabande en gigue.
  • Vroeg-barokke suite: allemande, courante, sarabande, gigue.

Fuga

  • Het herkennen van de fuga.
  • Het aangeven van de inzetten en de tussenspelen in een expositie.
  • Het herkennen van een stretto.

Opera en oratorium

  • Het onderscheiden van recitatief en aria.
  • Het onderscheiden van recitativo secco en accompagnato.
  • Overeenkomsten en verschillen tussen cantate, passie, oratorium en opera.

Philippe Jaroussky zingt Vivaldi Aria met zijn weergaloze falset stem.

Overige begrippen

  • polyfonie-homofonie
  • Stemvoeringsaspecten: gelijke (= parallelle) beweging.
  • Tegenbeweging.
  • Imitatie.
  • Stemparen.
  • Tegenmelodie.
  • Spiegeling.
  • Vergroting en verkleining.
  • Cantus firmus.
  • Canon.
  • Madrigaal, motet.
  • Fuga: expositie; doorwerking;
  • divertimento;
  • stretto.
  • voortspinnen (van motieven)

Structuur

  • Contrastwerking in de barok.
  • Voortspinnen.
  • Het waarnemen van affecten en de manier waarop ze worden uitgedrukt.
  • Het waarnemen van het gebruik van versieringen.
  • De barok als kunststroming.
  • Het onder druk van de harmonie reduceren van toonsoorten tot majeur en mineur.
  • Tactus vervangen door maat.
  • Monodie.
  • De verzelfstandiging van het instrumentaal ensemble.