Polyfonie

beluister hier een stukje van zodat je weet hoe polyfonie klinkt.

Polyfone muziek is meerstemmigheid waarbij alle stemmen even belangrijke melodische lijnen vormen. Een veelgebruikte compositietechniek is de imitatie: het herhalen van een thema in een andere stem, zoals in een canon. Alleen, in de canon wordt het thema in zijn geheel en letterlijk geïmiteerd. In de meeste polyfone muziek wordt vooral het begin van een thema geïmiteerd. Door imitatie zijn de afzonderlijke stemmen goed te horen terwijl het toch een stevig verband tussen de stemmen vormt.

Het begin, de middeleeuwen (~800 - 1400)

De vroegste polyfonie is het organum, een meerstemmig kerkgezang in de vroege middeleeuwen. Uitgangspunt is een gregoriaanse melodie, andere stemmen worden parallel in octaven en kwinten meegezongen. Op den duur ontstaan er vrijere tegenstemmen die in kortere notenwaarde een tegenstem vormen. Zoals gezegd wordt voor de hoofdstem een kerkgezang genomen, de melodie•n daarvan zijn heel oud, sommige komen nog uit de Joodse voorchristelijke traditie. Deze stem is de 'cantus firmus' of de 'tenor' , vaak een langzame melodie waar andere stemmen tegen afgezet worden.

Aanvankelijk is er in de middeleeuwen vooral één-, twee- en driestemmige muziek, maar tegen het eind van de middeleeuwen verschijnen de eerste vierstemmige stukken met een cantus firmus of tenor. Hieruit ontstaan onze koorstemmen: altus = hogere stem, sopra = bovenste stem, bassus is lagere stem.

In de renaissance (1400-1600) wordt de polyfonie steeds ingewikkelder polyfonie en niet zelden vijf of nog meer stemmig. Belangrijke motieven worden ingezet om een ingenieus muzikaal spel te spelen: omkeren, spiegelen, verlengen of verkorten, imitaties op allerlei toonhoogtes, snelle imitaties die elkaar overlappen, en het schakelen van motieven in een dalende of stijgende reeks: een sequens. Soms zie je tweestemmige imitatie in stemparen, dus bijvoorbeeld eerst bas en tenor, ge«miteerd door alt en sopraan. Omdat veel Vlaamse en NoordFranse componisten aan het Bourgondische hof zeer bedreven waren in deze polyfonie en uitzwermden naar alle hoven in Europa wordt deze periode ook wel '*de periode van de Nederlanden' genoemd.

Barok (1600-1750)

Aan het einde van de renaissance ontstaat een nieuwe compositietechniek door de behoefte aan verstaanbaar gezongen dramateksten in de muziek, de monodie: een melodie met alleen akkoordbegeleiding. Deze nieuwe muziek noemde men de secunda prattica, en de oude polyfonie de primo prattica. Hier begint de homofonie die de polyfonie in de loop der tijd verdringt.

De meeste polyfonie is vocaal, de oorsprong ligt immers in het kerkgezang. Maar in de renaissance worden stemmen aangevuld of vervangen door een instrument (zink, trombone, blokfluit, vedel, gamba) In de barok overheerst de instrumentale muziek, waarin de polyfonie volop gebruikt wordt. Pas in de klassieke tijd wordt homofonie de meest gebruikte compositietechniek.

Polyfone meerstemmigheid klinkt natuurlijk ook door de harmonie, de samenklank in akkoorden mooi, maar de melodische lijnen zijn bepalend voor de compositie. Pas in de barok worden de akkoorden en het ritme de drager van de melodie door de praktijk van het basso continuo: een bas/akkoord instrument ondersteunt het geheel. De hoofdmelodie en de akkoorden zijn leidend voor de compositie. Veel stemmen lopen daardoor ritmisch min of meer gelijk. In polyfone werken vind je nauwelijks homofonie, hoogstens vlak voor een afsluiting. Bach gebruikt in zijn oratoria en cantates zowel homofonie als polyfonie, maar zoals in alle barokmuziek is er bij beide een akkoordbegeleiding, gespeeld door het basso continuo.

De teksten van polyfone stukken zijn vaak religieus, omdat de kerk nu eenmaal een belangrijke opdrachtgever voor componisten was, maar er zijn ook vele wereldlijke, vaak kortere werken over liefde, drank, oorlog en wat niet al. De frivole wereldse stukken noemt men madrigaalen, de kerkelijke heten motetten of het is een mis met vaste teksten die naar de beginwoorden zijn genoemd:Kyrie ˆ Gloria ˆ Credo ˆ Sanctus ˆ Agnus Dei ˆ

De fuga

De meest uitgewerkte maar ook strengste vorm van polyfonie is de fuga, een geheel instrumentale barokvorm waarvan J.S.Bach de grootmeester is.

Imitatie

Imitaties zijn herhalingen in een andere stem, soms op dezelfde, maar vaker op een andere toonhoogte en de ene keer letterlijk, de andere keer vrijer. Motiefvariaties zijn: vergroten, verkleinen, omkeren, tegenbeweging, of steeds een beetje verder vari•ren, het zogenaamde 'voortspinnen'.

Sequens

Het herhalen van een motief op een andere toonhoogte, vaak meer dan twee keer is in polyfonie een veel gebruikte compositietechniek. Een sequensketen kan ook bestaan uit een tweestemmige motief dat sequensmatig herhaald wordt. Ook kan een sequens verdeeld worden over meedere stemmen.

Ruimtelijkheid

In de renaissance werd al geschreven voor meerdere koren die in verschillende delen van de kerk stonden. Soms beide even groot, soms een klein koortje en een groot koor. Als het kleine koor steeds een motief van het grote koor herhaalt krijg je echodynamiek en bovendien een prachtig ruimtelijk effect. Hetzelfde geldt ook voor instrumentale bezettingen. Een beroemd tweekorig stuk is de Matthaeus Passion, luister maar naar het openingskoor.

 

Namen

middeleeuwen:

  • Leoninus, Perotinus

renaissance:

  • Dufay (14007-1474)
  • Josquin Desprez (14407-1521)
  • Orlando di Lasso (1532-1594)
  • Palestrina (1525-1594)

barok

  • J.S.Bach